Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-03-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:61

Zaaknummer

24-486/DH/RO

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 31 maart 2025 in de zaak 24-486/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 21 augustus 2024 op de klacht van:

[naam] voorheen: advocaat te Amersfoort klager

over:

mr. F.A. ten Berge in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland deken

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 14 januari 2024 heeft klager een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 15 februari 2024 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam. 1.3    Op 25 juni 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/72 van de deken ontvangen.  1.4    Bij beslissing van 21 augustus 2024 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.  1.5    Op 16 september 2024 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.  1.6    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 17 maart 2025. Daarbij was de deken, bijgestaan door haar stafjurist, aanwezig. Klager is – met bericht van verhindering – niet verschenen. 1.7    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van het bericht van klager van 16 februari 2025.

2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat de voorzitter in de beslissing van 21 augustus 2024 is uitgegaan van onjuiste feiten en een verkeerde maatstaf heeft toegepast.  2.2    De voorzitter miskent dat alleen al het melden dat klager onder behandeling is bij een psycholoog valt onder de bijzondere persoonsgegevens van de AVG. Klager verzoekt om de procedure aan te houden en het dossier over te leggen aan de Autoriteit Persoonsgegevens om een opinie te kunnen geven, waarbij ook aan de orde kan komen of de deken medische informatie mag opvragen en opslaan terwijl zij geen arts is. Ook heeft de deken geweigerd om een medisch adviseur in te schakelen, terwijl dat wel zou moeten. Daarmee heeft zij het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De voorzitter bagatelliseert dit in overweging 4.7 door dit een ‘slordigheid’ te noemen. 2.3    De voorzitter miskent verder dat een correcte en zakelijke manier van communiceren door de deken er ook voor kan zorgen dat verweerder het leven zuur wordt gemaakt. De deken heeft dus weldegelijk haar positie misbruikt. 2.4    De voorzitter heeft de essentie van klagers klacht volledig genegeerd. Het gaat klager er hoofdzakelijk om dat met de deken was afgesproken dat hij alleen maar voor 1 februari 2024 een update zou moeten geven over zijn gezondheid. Kort daarna heeft de deken gedaan alsof het geheel nieuw was dat verweerder geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering meer had. Dat heeft verweerder echter al jarenlang in de CCV-opgave ingevuld en was dus bekend. Klager kon door zijn gezondheidstoestand geen zaken behandelen. Ook dat was al jaren bekend bij de deken. 2.5    De voorzitter schetst ten onrechte dat klager problemen zou hebben met het uitvragen van financiële gegevens door de deken. Klager heeft er wel grote moeite mee dat er wordt doorgedramd om gegevens waarover klager niet beschikt of kan beschikken, omdat hij al jaren ziek is en geen praktijk meer heeft. Het dient dus geen enkel doel om dit dan steeds te eisen. Het op tafel leggen van verweerders gehele vermogenssituatie is niet proportioneel of niet to the point. Het inschakelen van een medisch adviseur die verweerders behandelaars controleert of het opleveren van een accountantsverklaring over klagers financiële situatie is dat wel. Het doordrammen onder voortdurende dreiging van represailles is niet anders te kwalificeren dan als het treiteren van iemand die niets terug kan doen door ziekte. 2.6    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT 3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING 4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De door klager aangevoerde verzetgronden zijn door de voorzitter in de beoordeling betrokken en daarover is met juistheid geoordeeld dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur niet is geschaad. Dat er fouten hebben plaatsgevonden heeft de voorzitter onderkend – en heeft de deken ook erkend – maar dat vormt op zichzelf nog onvoldoende om te concluderen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De deken heeft haar toezichthoudende bevoegdheden mogen uitoefenen en heeft dat op een correcte wijze gedaan. Dat die uitoefening van de bevoegdheden voor klager desondanks zeer belastend en ingrijpend was is duidelijk, maar dat doet er niet aan af dat dit tot de toezichthoudende taak van de deken behoort. 4.3    De raad ziet ook verder geen aanleiding om deze zaak aan te houden en voor te leggen aan de Autoriteit Persoonsgegevens; dit heeft klager zelf kunnen doen om zijn klacht dan wel verzet te onderbouwen. Klager kan dit bovendien nog steeds doen en de Autoriteit Persoonsgegevens kan in dat geval ook handhavend optreden, mocht zij concluderen dat de AVG is overtreden. 4.4    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 maart 2025