Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-04-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:51

Zaaknummer

230307W

Inhoudsindicatie

Dit  verzoek tot wraking (het tweede wrakingsverzoek) kan niet anders worden begrepen dan dat verzoekers het niet eens zijn met de beslissing op het eerste wrakingsverzoek. Een wrakingsverzoek is niet bedoeld als middel om onvrede over een eerder door het hof gegeven beslissing aan de orde te stellen, laat staan die beslissing (nogmaals) inhoudelijk te (laten) toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen voor de wraker onwelgevallige, of in zijn ogen onjuiste, beslissingen. Daaruit volgt dat het tweede wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.

Uitspraak

    Beslissing van 27 maart 2025 in de zaak 230307W naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:

verzoekers

   

tegen:

      

verweerder

 

 

1    DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van 25 september 2023 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (zaaknummer: 22983/AL/MN). In deze beslissing is de klacht van verzoeker tegen mr. B, verweerder in de hoofdzaak, (verder: de verwerend advocaat) ongegrond verklaard. De beslissing van de raad is onder nummer ECLI:NL:TADRARL:2023:255 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

1.2    Verzoekers hebben die beslissing beroep ingesteld, welk beroep bij het hof in behandeling is onder zaaknummer 230307.

1.3    Partijen zijn bij brief van 29 december 2023 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak op 31 mei 2024. Enkele dagen voor de zitting heeft het hof de samenstelling van de behandelend kamer van het hof vermeld op zijn website (overeenkomstig artikel 5.5 van het procesreglement). 

1.4    Bij brief van 29 mei 2024 hebben verzoekers een verzoek tot wraking van mr B. ingediend (zaaknummer hof 240161W; hierna: het eerste wrakingsverzoek).

1.5    Mr B. heeft niet berust in het wrakingsverzoek. 

1.6    De wrakingskamer van het hof heeft het eerste wrakingsverzoek bij beslissing van 26 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard. De beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2024:189 gepubliceerd op tuchtrecht.nl. Verweerder was (plaatsvervangend) voorzitter van de wrakingskamer.

1.7    Partijen zijn bij brief van 29 oktober 2024 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 230307 op 17 januari 2025. Enkele dagen voor de zitting heeft het hof de samenstelling van de behandelend kamer van het hof vermeld op zijn website (overeenkomstig artikel 5.5 van het procesreglement). Verweerder is daarbij vermeld als de behandelend plaatsvervangend voorzitter.

1.8    Bij brief van 13 januari 2025 hebben verzoekers een verzoek tot wraking van verweerder ingediend (hierna: het tweede wrakingsverzoek). 

1.9    Verweerder heeft niet berust in het wrakingsverzoek en heeft op 19 januari 2025 een verweerschrift ingediend. Verzoekers hebben op 5 februari 2025 een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft op 24 februari 2025 laten weten van de mogelijkheid om te dupliceren geen gebruik te maken.   

1.10      Het hof heeft het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken. 

 

2    DE WRAKINGSGROND EN HET VERWEER

Wrakingsgrond

2.1    Verzoekers hebben op 29 mei 2024 het hof verzocht om mr. B. in de zaak met zaaknummer 230307 te wraken. De wrakingskamer van het hof, onder voorzitterschap van verweerder, heeft dat verzoek op 26 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard (zie 1.6). Verzoekers vrezen er niet op te kunnen rekenen dat [verweerder] hun klachten in de zaak met zaaknummer 230307 zonder vooringenomenheid zal beoordelen.

2.2    Verzoekers stellen in hun wrakingsverzoek onder meer het volgende:

‘[Verweerder] was de voorzitter van de wrakingskamer die deze zaak (240161W) heeft behandeld. In de beslissing op dit verzoek van 26 juni 2024 manipuleren [verweerder] c.s. de gronden van ons verzoek om [B] te wraken. Zij “parafraseren” onze gronden tot: (…). 

Dit staat niet in ons verzoekschrift en het is onjuist. Wij hebben niet gesteld dat het oordeel van het hof over het beklag van [C] ondeugdelijk is. Wij hebben dat oordeel niet betwist. Wat wij stellen is dat [B] een leugenaar is. Deze stelling is onderbouwd met drie onjuistheden in de beslissing van [B] c.s. op het beklag van [C]. Deze feiten maken aannemelijk dat [B] een leugenaar is. Daarom hebben wij verzocht [B] te wraken. Dat wij gesteld zouden hebben dat het oordeel van het hof in de beklagzaak ondeugdelijk zou zijn is een verzinsel van [verweerder] c.s..

[Verweerder] c.s. parafraseren in 3.3 ons repliek op het verweer van [B]: (…).

Dit staat niet in ons repliek en het is onjuist. (…)

[Verweerder] c.s. schrijven vervolgens: (…)

Omdat wij deze stelling niet hebben ingenomen is het oordeel van de kamer over de fundering van die stelling niet van belang. [Verweerder] c.s. beoordelen in 3.4 de wrakingsgronden die ze zelf verzonnen hebben als kennelijk ongegrond.  Onze stelling dat [B] een leugenaar is, wat de reden is van ons verzoek, hebben ze niet onderzocht.  [Verweerder] c.s. schrijven in 3.5 dat een wrakingsverzoek niet is bedoeld als middel om onvrede over een eerder door het hof gegeven beslissing aan de orde te stellen. Dat hebben we ook niet gedaan. We hebben uit de door het hof gegeven beslissing geleerd dat [B] een leugenaar is en hem daarom gewraakt. [Verweerder] c.s. hebben geweigerd deze wrakingsgrond te beoordelen. [Verweerder] heeft de gronden van ons wrakingsverzoek verdraait en daarop zijn oordeel laten steunen. De gronden die wij hebben aangevoerd heeft hij geweigerd te onderzoeken. Om die reden vrezen wij er niet op te kunnen rekenen dat [verweerder] onze klachten over mr. [B] [hof: de zaak met zaaknummer 230307] zonder vooringenomenheid beoordeelt.’ In hun repliek voegen verzoekers toe:

‘Wij hebben onzorgvuldigheden geconstateerd in de beslissing van [B] c.s.. Verweerder c.s. hebben onze klacht daarover niet “duty considered” en ze zijn hun “duty to conduct a proper examination of the submissions, arguments and evidence adduced by the parties ” niet nagekomen.’

Verweer

2.3    Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, waarin is overwogen dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Het niet eens zijn met een beslissing is dus geen grond voor wraking, tenzij de motivering van beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Verweerder vindt dat een dergelijke vooringenomenheid niet blijkt uit de behandeling van en beslissing in het eerste wrakingsverzoek.

 

3    BEOORDELING

Toetsingskader

3.1    Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer van het hof voorop dat een voorzitter van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De wrakingskamer moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoekers zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een (plaatsvervangend) voorzitter van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de voorzitter ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).

3.2    Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van de (plaatsvervangend) voorzitter van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

3.3    Het onderhavige verzoek tot wraking (het tweede wrakingsverzoek) kan niet anders worden begrepen dan dat verzoekers het niet eens zijn met de beslissing op het eerste wrakingsverzoek. Een wrakingsverzoek is niet bedoeld als middel om onvrede over een eerder door het hof gegeven beslissing aan de orde te stellen, laat staan die beslissing (nogmaals) inhoudelijk te (laten) toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen voor de wraker onwelgevallige, of in zijn ogen onjuiste, beslissingen. Daaruit volgt dat het tweede wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. 

3.4    Dit brengt mee dat de wrakingskamer ook geen grond heeft om te twijfelen aan de onpartijdigheid van verweerder in de kwestie tegen mr. [B] in de zaak met zaaknummer 230307.

3.5    Het wrakingsverzoek zal als kennelijk ongegrond worden afgewezen. 

3.6    Dit verzoek tot wraking is het tweede verzoek tot wraking in de zaak met zaaknummer 230307 dat kennelijk ongegrond is, omdat het wrakingsverzoek in de kern wordt gebruikt als middel om onvrede over een eerder door het hof gegeven beslissing aan de orde te stellen en die beslissing nogmaals inhoudelijk te laten toetsen. Verzoekers zijn in de beslissing op eerste wrakingsverzoek erop gewezen dat de mogelijkheid tot wraking daarvoor niet bedoeld is (r.o. 3.5). De wrakingskamer is daarmee van oordeel dat verzoekers het wrakingsmiddel hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Aldus is sprake van misbruik van recht. Daarom zal het hof bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

 

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

4.1    verklaart het wrakingsverzoek van 13 januari 2025 van verzoekers kennelijk ongegrond;

4.2    bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3    bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. D. Wachter en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van  M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.

griffier    voorzitter    

De beslissing is verzonden op 27 maart 2025.