Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-03-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:48

Zaaknummer

24-786/DB/OB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat in zijn hoedanigheid van bestuurder en vereffenaar. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens de vervaltermijn uit artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. Klacht kennelijk ongegrond ten aanzien van het lezen en gebruiken van klaagsters e-mails, het aanzeggen van dwangsommen en het doen van grievende uitlatingen

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch  van 26 maart 2025 in de zaak 24-786/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerder

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 30 oktober 2024 met kenmerk 48|24|024K, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 09. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen stukken en e-mails van klaagster van 1 november 2024, 2 november 2024, 10 november 2024, 12 november 2024, 7 januari 2025, 8 januari 2025, 9 januari 2025 en tweemaal 12 januari 2025, en van verweerder van 8 januari 2025 en 12 januari 2025.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster is werkzaam als financier. In 2015 heeft zij een lening verstrekt aan de heer RV in privé, die bestuurder en aandeelhouder is van VFG. RV heeft de lening willen gebruiken ter overbrugging totdat de bank hem een hypotheek zou verstrekken op zijn woonhuis, waarbij hij de lening binnen twee maanden zou terugbetalen. Nadien heeft de bank de hypotheekaanvraag geweigerd. Klaagster en RV hebben de lening vervolgens omgezet in een hypothecaire lening voor de duur van 10 jaar. RV heeft het geld in het fruitsapbedrijf geïnvesteerd. RV zou de lening maandelijks af gaan lossen via het fruitsapbedrijf, maar dit is door WV, de broer van RV en medebestuurder en medeaandeelhouder van het fruitsapbedrijf tegengehouden.

1.2    Begin november 2019 is verweerder is door de Ondernemingskamer aangesteld als bestuurder van VFG, nadat beide broers eerder door de Ondernemingskamer als bestuurder zijn geschorst. De voorzitter wijst voor de achtergrond van dit geschil naar de beslissing van 22 juli 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:108, zaaknummer 24-200/DB/OB).

1.3    Vanaf november 2019 heeft verweerder diverse e-mails gestuurd aan de advocaat van RV, waarin hij klaagster ook in de cc heeft opgenomen en klaagster heeft aangemerkt als een cliënte van de betreffende advocaat en als partner/vriendin van RV.

1.4    Op 14 november 2019 heeft RV aan klaagster gevraagd om hem € 475.000,- te lenen om een uitkoopvoorstel te kunnen doen aan verweerder. Ook heeft RV aan klaagster gevraagd of zij meewilde naar het kantoor van verweerder om een bespreking te houden. Klaagster heeft dit geweigerd.  Diezelfde dag heeft verweerder aan RV, zonder klaagster in cc, geschreven: “Hoe verhoudt onderstaande mail zich tot uw standpunt dat u, uw broer wil uitkopen? Het kan zo zijn dat u op dit moment weinig liquide middelen heeft, maar u heeft (dat hebben we gisteren vastgesteld) wél vermogen. Verder heeft u aangegeven dat uw vriendin ([klaagster]) mogelijk bereid is u financieel te ondersteunen. Daartoe zou u met [klaagster], óf vandaag, óf morgen bij mij in [plaats] langskomen. Op dat punt heb ik ondanks mijn mailverzoek van hedenochtend, nog niet vernomen. Als u serieus het aandeel van uw broer wil overnemen dan zullen er spijkers met koppen geslagen moeten worden en zal er op uiterst korte termijn duidelijk moeten worden óf [klaagster] u financieel zal ondersteunen. In het andere geval is het gewoon géén realistische optie te veronderstellen dat u uw broer kunt uitkopen. Ik ga hier niet mee wachten en wil dan ook (zoals gisteren besproken) morgen met u en [klaagster] in gesprek. Als een gesprek – waarin ik wil vaststellen of verder praten zinvol is – niet voldoende prioriteit heeft, en ondanks hetgeen wij gisteren bespraken niet uiterlijk morgen kan plaatsvinden, dan moet ik daar de conclusie uit trekken dat dit traject niets wordt en zal ik mij volledig richten op verkoop aan een derde.”  Verweerder heeft RV vervolgens gevraagd om de contactgegevens van klaagster, zodat hij haar de volgende dag zou kunnen contacteren. Klaagster heeft RV verboden om haar contactgegevens te delen. RV heeft vervolgens aan verweerder geschreven: “Allereerst wil ik u aangeven dat [klaagster] een zakenrelatie van mij is en ik natuurlijk niet kan beschikken over haar geld. Zij heeft morgen geen tijd om bij u komen, over haar tijd heb ik natuurlijk ook geen zeggenschap. [Klaagster] heeft wel aangegeven mij bij deze overname financieel te willen steunen, dus dit loopt. Ik heb u per mail geantwoord dat ik morgen niet kom, dit bericht heeft u waarschijnlijk gemist. Ik kon [klaagster] niet eerder bereiken, vandaar mijn late antwoord. Uw stelling dat als ik morgen niet met [klaagster] bij u kom, u zich gaat richten op verkoop aan derden is mijns inziens te vroeg. Ik moet lijkt mij toch wel de gelegenheid krijgen om mijn onderhandelingen op te kunnen starten. Daar ben ik vandaag mee gestart.”

1.5    Op 18 november 2019 heeft verweerder aan RV de toegang tot het fruitsapbedrijf ontzegd en zijn toegang tot zijn zakelijke mailbox afgesloten. In deze mailbox bevonden zich e-mails van klaagster aan RV.

1.6    Op 22 november 2019 heeft verweerder aan klaagster, met de advocaat van RV mr. T in de cc, geschreven: “Naar ik heb begrepen heeft u met [RV] contact onderhouden in het kader van een poging [VFG] over te nemen. Jammer genoeg is de wijze van communicatie zodanig geweest dat ik de contacten met [RV] over die beoogde overname heb moeten verbreken. Omdat [RV] géén toegang meer heeft tot zijn zakelijke e-mailaccount ([e-mailadres]) en ik desondanks noodzakelijkerwijs met hem in contact wil blijven verzoek ik u mij een privé e-mailadres van [RV] door te geven. Dat mag (met zijn en uw toestemming) ook dit mailadres zijn. Ook verzoek ik u mij een telefoonnummer door te geven waarop ik [RV] kan bereiken. Bij voorbaat dank voor uw medewerking. Mocht u behoefte hebben aan overleg met mij dan weet u mij te vinden. Uw beider raadsman zet ik in de c.c.”

1.7    Op 29 november 2019 heeft verweerder aan de nieuwe advocaat van RV, mr. J, geschreven: “Naar aanleiding van uw mailbericht van gisteren (18.14 uur) het volgende. Ik denk dat we e.e.a. even anders moeten insteken. Ik wil graag op zeer korte termijn een afspraak met uw cliënten ([RV] en [klaagster]) in het belang van [VFG] en alle stakeholders wil ik meer weten omtrent hun intenties en financiële mogelijkheden voordat ik (samen met u) verder ga in dit traject.”

1.8    Op 5 december 2019 heeft verweerder aan de advocaat van RV geschreven: “Eergisteren vroeg ik naar aanleiding van het zoveelste vreemde WhatsApp bericht van de partner van [RV] wederom u aandacht voor het “op de weg houden” van [klaagster]. Haar constante interventie in dit dossier wekt wrevel en stress op bij de partijen die zij ongevraagd benadert. Wederom heb ik aangedrongen op overleg met u, [klaagster] en uw cliënt [RV]. Tot op heden zonder enig tastbaar resultaat. (…) Gisterenochtend ben ik gebeld door [naam] (mijn voorganger) die op directieniveau contacten heeft bij zowel [ander fruitsapbedrijf] als [glasleverancier]. Tot mijn grote verwondering deelde zij mij mede dat [klaagster] volgende week een afspraak heeft met key-functionarissen van [het andere fruitsapbedrijf] (…). Ervan uitgaande dat u mij waarheidsgetrouw heeft bericht, heeft het er dus alle schijn van dat uw cliënt u niet juist informeert. Ik zal mij – als ik vandaag via u géén mij conveniërende verklaring ontvang – dan ook wenden tot de Ondernemingskamer en vragen om de aangehouden procedure ter verkrijging van nieuwe onmiddellijke voorzieningen alsnog inhoudelijk te behandelen Een verklaring die door of namens [klaagster] wordt gegeven dat zij zich van iedere verdere poging onthoudt te interveniëren in het door mij te begeleiden verkoopproces is op dit moment voldoende. Eigenlijk zou ik direct naar de OK moeten stappen. Ik geef u echter de mogelijkheid dat te voorkomen. Dat kan als uw cliënt en [klaagster] verklaren zich aan de regels te houden.” Klaagster heeft vervolgens haar afspraken met deze bedrijven afgezegd.

1.9    Op 15 december 2019 is klaagster door zakenpartners geïnformeerd dat verweerder hen heeft gevraagd om het te laten weten als klaagster hen zou benaderen.

1.10    Op 19 december 2019 hebben RV, klaagster en verweerder een gesprek gevoerd.

1.11    Op een voor de raad onbekende datum, maar na het gesprek van 19 december 2019, heeft verweerder aan de advocaat van RV geschreven: “Tot slot nog het volgende. Uw cliënte [klaagster] heb ik ook al meermalen medegedeeld dat ik niet meer reageer op haar mails. Zij haalt alles door elkaar, geeft telkenmale een aantoonbaar onjuiste voorstelling van zaken en maakt de meest onlogische connecties waarop zij dan weer conclusies baseert. Oftewel “niet te helpen” (zij en uw cliënt willen géén oplossing, alleen sarren en jennen). De mail die ik van haar ontving beantwoord ik dan ook niet”

1.12    Op 6 januari 2020 heeft verweerder aan de fiscalist van RV geschreven dat de termijn waarin RV niet op het bedrijfsterrein mocht komen is verlengd, omdat RV en klaagster onrust zouden hebben veroorzaakt bij het bedrijf en bij derden.

1.13    Op 10 februari 2020 heeft RV een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer tot ontslag van verweerder als bestuurder van het fruitsapbedrijf. Op 28 februari 2020 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin hij onder meer heeft gevorderd dat RV zich al dan niet handelend via klaagster dient te onthouden van handelen die verkoop van het fruitsapbedrijf frustreren. Daarin is ook verwezen naar e-mailberichten van klaagster.

1.14    Op 19 februari 2020 heeft verweerder geweigerd aan RV om een management fee te betalen omdat hij betwist dat RV geen geld meer zou hebben, waarbij verweerder erop heeft gewezen dat klaagster “blijkens haar mededeling niet onbemiddeld” is.

1.15    Op 4 maart 2020 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Ondernemingskamer, waarbij klaagster ook aanwezig was. Deze zitting heeft geleid tot een beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2020, waarin klaagster niet als belanghebbende is aangemerkt in de procedure. Daarbij heeft de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening bepaald dat RV al dan niet handelend via klaagster zich dient te onthouden van handelingen die het verkoopproces van het fruitsapbedrijf kunnen frustreren of bemoeilijken, moet gedogen dat hij is uitgesloten van het verkooptraject, zich moet onthouden van besprekingen met en het verstrekken van informatie aan derden in verband met de verkoop van de onderneming en zich dient te onthouden van elke uitlating of gedraging die kan worden aangemerkt als bedreigend of lasterlijk jegens verweerder. De Ondernemingskamer heeft daaraan een dwangsom van € 25.000,- per overtreding gekoppeld, met een maximum van € 1 miljoen. 

1.16    Op 19 maart 2020 heeft verweerder de beschikking van de Ondernemingskamer aan klaagster laten betekenen. 

1.17    Op 28 april 2020 heeft klaagster verweerder medegedeeld dat haar is verteld dat verweerder zich heeft voorgedaan als gerechtsdeurwaarder bij een opslaglocatie om gegevens over klaagster los te peuteren. Daarop heeft zij aan verweerder geschreven:

“Gisteren is mij door de opslag verteld dat u daar vorige week heen heeft gebeld en u zich daar heeft voorgedaan als een gerechtsdeurwaarder om gegevens over mijn stallings opdracht los te peuteren, dit is niet netjes. Ik verwacht dat u mij in het vervolg met rust laat en geen personen en/of bedrijven meer benadert waar het over mij en/of over door mij verstrekte opdrachten gaat.”  

Verweerder heeft dit diezelfde dag weersproken:

“Zoals te doen gebruikelijk bij u fantaseert u er weer vrolijk op los en kunt (of wenst) u het onderscheid tussen fictie en realiteit niet maken.  Feit is dat door een medewerker van mijn kantoor gebeld is met [naam bedrijf] Berging. Daarbij is aangegeven dat de medewerker belde namens de tijdelijk bestuurder van VFG met de mededeling dat er wasmachines bij VFG zijn gesteld die eerder in uw opdracht bij [naam bedrijf] Berging, waren gestald. Niet meer en niet minder. Uw verhaal dat iemand zich als deurwaarder heeft voorgedaan, namens mijn kantoor is klinkklare onzin.”

Daarop heeft klaagster gereageerd:

“Allereerst aan u de vraag om uw toon richting mij te matigen!! Ik heb gisteren contact gehad met [naam bedrijf] Berging en natuurlijk geloof ik de versie die mij gisteren door hen aan mij is verteld, u heeft met dit telefoongesprek mijn privacy geschonden. Daarom nogmaals het verzoek aan u om geen mensen en/of bedrijven meer te benaderen met vragen over mijn persoon. Ik voeg de eigendom overeenkomst bij, u bent toch niet te stoppen waar het uw nieuwsgierigheid betreft.”

1.18    Verweerder heeft vervolgens dwangsommen tot een bedrag van ruim € 500.000,- aangezegd aan RV, onder meer na berichten van klaagster aan verweerder. 

1.19    Op 15 mei 2020 heeft verweerder bij klaagster onder meer zijn onbegrip geuit waarom klaagster niet door leek te hebben dat het frustreren van het verkooptraject ook voor RV negatieve gevolgen zou hebben. Verweerder heeft daarbij een dringend beroep gedaan op klaagster om te stoppen met het tegenwerken.  Daarop heeft klaagster geantwoord dat zij geen partij is in de zaak. Verweerder heeft vervolgens gereageerd dat klaagster formeel geen partij is, maar echter wel één van de belangrijkste actoren (zo niet dé belangrijkste) in deze kwestie is. Verweerder heeft klaagster gevraagd om haar invloed op RV op een positieve wijze aan te wenden.

1.20    Op 20 mei 2020 schreef verweerder aan klaagster:

“Uw bericht van 19 mei jl. (17:31 uur), waarin u aankondigde “dat zich bij de Ondernemingskamer afmeldt”, heb ik met verbazing (en ook met afkeuring) gelezen. We zijn het er over eens dat u (formeel) géén partij en evenmin (formeel) belanghebbende bent. U bent echter wél een belangrijke actor in dit dossier aan de zijde van de heer [RV]. Het feit dat er nu wéér een gang naar de Ondernemingskamer moet worden gemaakt heeft veel te maken met uw handelswijze namens de heer [RV]. Het is bepaald niet fraai dat nu e.e.a. aan de Ondernemingskamer wordt voorgelegd, u “verstek laat gaan”. Dat betreur ik en vind ik “niet chique”. Het lijkt erop dat u er voor terugdeinst, althans dat u niet bereid bent, om samen met [RV] verantwoording af te leggen omtrent uw en zijn gedragingen in dit dossier en evenmin uw gezamenlijk optreden te laten toetsen. Dat betreur ik! Ik geef u dringend in overweging om dinsdag aanwezig te zijn. Ik begreep dat de Ondernemingskamer u daartoe ook heeft opgeroepen.”

1.21    Bij beschikking van 29 mei 2020 heeft de Ondernemingskamer aanvullende verboden opgelegd aan RV, al dan niet handelend via klaagster, om kort gezegd in contact te treden met bij het overnameproces betrokken partijen of zich bedreigend of lasterlijk uit te laten jegens door verweerder ingeschakelde personen of bieders in het overnameproces. Daarbij heeft de Ondernemingskamer onder meer overwogen (waarbij klaagster als “[H]” is aangemerkt):

“3.9 [E] betogen dat [H] hier uit eigen naam handelt, in haar hoedanigheid van schuldeiser van de vennootschap. [H] is echter geen schuldeiser van Food Group; zij heeft een aanzienlijk bedrag geleend aan [K] en [B] heeft dit bedrag doorgeleend aan Food Group (zie r.o. 3.1 van de Beschikking). [H] heeft dus geen eigen belang als schuldeiser om zich tot Food Group en haar functionarissen of adviseurs te wenden. Uit de onderwerpen die [H] in het WhatsApp-bericht aansnijdt valt ook geen pretentie tot een positie als schuldeiser af te leiden. Zij stelt daarin integendeel vragen rondom de verkoop te hebben - en somt al die vragen ook op - die zij als “onze” vragen betitelt, hetgeen bezwaarlijk anders dan als handelen voor of namens [B] kan worden opgevat. Uit de bijzondere wijze waarop zij al hun vragen formuleert, volgens haar om niet van [verweerder] het verwijt van bemoeienis met de verkoop te krijgen, volgt dat door [H], handelend voor [B], een opzichtige en vergeefse poging is gedaan om formeel buiten de werkingssfeer van de Beschikking te blijven. Het effect van het WhatsApp-bericht op [J], die [verweerder] direct lieten weten dat hij het bericht uitermate vervelend vond, is immers geweest dat [accountantskantoor] zich mede naar aanleiding van dit bericht heeft afgevraagd of de advisering rondom de verkoop wel moest worden gecontinueerd, hetgeen de verkoop kan bemoeilijken. Of het WhatsApp-bericht ook lasterlijk is jegens [verweerder] kan vooralsnog in het midden blijven.

3.10 Volgens [verweerder] bevat de e-mail van [H] van 4 mei 2020 (rov. 2.4) zowel verzet tegen uitsluiting van deelname van [E] aan het verkooptraject, hetgeen een overtreding vormt van het verbod onder b van de Beschikking, als bedreigende uitlatingen tegenover [verweerder], hetgeen een overtreding oplevert van het verbod onder d van de Beschikking. Daardoor zijn twee dwangsommen verbeurd. [E] voeren daartegenover aan dat de brief een reactie is op een brief van [verweerder]. Hoewel zij erkennen dat het erop lijkt dat [H] in de e-mail ook namens hen spreekt, menen zij dat [verweerder] zich toch ervan had behoren te vergewissen of dat daadwerkelijk het geval is.

3.11 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de e-mail redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan als mede geschreven namens [E] Reeds het consequente gebruik van de woorden “we/wij” en “onze” duidt daarop. Het overgrote deel van de vragen en opmerkingen heeft verder louter betrekking op [E] en hun positie. Van [verweerder] kon niet verlangd worden dat hij verifieerde of [H] in deze e-mail wel namens [E] handelde, temeer nu [verweerder] sedert zijn benoeming geregeld met reacties van [H] namens [E] is geconfronteerd. Uit het verweer van [E] kan ook niet worden opgemaakt dat hetgeen [H] schreef niet overeenstemt met de opvattingen van [E] en dat zij van de e-mail ook niet op de hoogte waren. Ter zitting heeft [B] nog naar voren gebracht dat hij [H] niet kan afremmen wanneer zij in de pen klimt, maar als dat zo is valt niet in te zien wat hem ervan heeft weerhouden [verweerder] schriftelijk te berichten dat hij zich van de uitlatingen van [H] distantieert. Het in de e-mail stellen van de vraag aan [verweerder] wat de reden is “waarom Dhr. [B] niet mee mag bieden op zijn eigen bedrijf” en de opmerking dat [verweerder] de wettelijke regels overtreedt door hen uit te sluiten van verkoop, kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook worden opgevat als handelen door [E] via [H] in strijd met de op [E] rustende verplichting, te gehengen en gedogen dat zij zijn uitgesloten van het verkooptraject (Beschikking onder b). Daarnaast bevat de e-mail taal die jegens [verweerder] als bedreigend of lasterlijk kan worden gekwalificeerd, onder meer door te suggereren dat hij de regels overtreedt en een strafbaar feit pleegt als hij de onderneming verkoopt voor een lager bedrag dan “wij” (kennelijk: [H] en [B]) hebben berekend en dat de “normale” rechters zich wel over zijn gedrag zullen buigen. Dat is in strijd met de in de Beschikking onder d opgenomen verplichting zich te onthouden van elke uitlating of gedraging die kan worden aangemerkt als bedreigend of lasterlijk jegens [verweerder]. Ook hier hebben [E] dwangsommen verbeurd.”

1.22    Begin juni 2020 heeft verweerder beslag gelegd op onder meer het woonhuis van RV, wat als onderpand diende voor de lening van klaagster aan RV.

1.23    Op 4 juni 2020 heeft klaagster aan verweerder geschreven:  

“Ik heb kennisgenomen van uw mededeling van het beslag op de woning van [RV], waarin u mij ook de mogelijkheid geeft om de executie op mij te nemen. Inmiddels heb ik echter ook vernomen dat u de executie van de beslagen voorlopig hebt opgeschort. Ik zou u daarom willen vragen om mij weer op de hoogte te stellen als u de executie toch voort wenst te zetten, zodat ik mij op dat moment op mijn positie kan beraden. Indien u toch een antwoord wenst verneem ik dat graag ook.”

1.24    Op 5 juni 2020 heeft verweerder daarop gereageerd:

“Mr. [L] heeft aangegeven slechts op te treden voor [RV] en diens vennootschap [naam]. Hij heeft tevens uitdrukkelijk aangegeven niet namens u op te treden, sterker nog in de gewisselde processtukken tijdens de zitting bij de Ondernemingskamer op 26 mei jl. heeft mr. [L] zich namens zijn cliënten ([RV en zijn B.V.]) zeer nadrukkelijk en meermalen gedistantieerd van uw uiterst schadelijke handelen. U heeft van de deurwaarder een formele aanzegging gekregen als hypotheekhouder. Ik heb met u niet gesproken over het (mogelijk) opschorten van de executie. Aan hetgeen ik met mr. [L] heb besproken kunt u géén rechten ontlenen. Het is dus ook niet zo dat u op een later moment uw positie kan bepalen. Er loopt gewoon wettelijke termijn waarbinnen u dient te reageren.”

1.25    Op 8 juni 2020 heeft verweerder aan RV, zonder klaagster in cc, voorgelegd welke uitgangspunten bij een minnelijke oplossing voor ogen heeft, waaronder:

“(…) Als tegenprestatie zal ik als bestuurder van VFG indien [RV] en [klaagster] gedurende vijf jaar (i) geen schadelijke activiteiten verrichten die de overname bemoeilijken of het object van de overname beschadigen en (ii) door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen gedurende die periode niet ongevraagd benaderen, lastigvallen, bedreigen, intimideren, zich omtrent hen onheus uitlaten of anderszins handelingen verrichten waardoor deze functionarissen zich moeten verdedigen, de verbeurde en opgeëiste dwangsommen kwijtschelden. (…)”  

1.26    Op 15 juni 2020 heeft verweerder de jaarrekening opgesteld. In het voorwoord is daarbij opgenomen:

“Het concern heeft een erg zware periode (van twee jaar geruzie) achter de rug, waarbij het concern langs de rand van de afgrond scheerde. Inmiddels gaat het stukken beter en kan aan een gezonde toekomst worden gewerkt. Tussen de aandeelhouders/bestuurders (de heren [RV] en [WV]) bestaat een onoverbrugbaar verschil van inzicht omtrent de wijze waarop het concern moet worden bestuurd en een diepgeworteld wederzijds wantrouwen en onbegrip. De zich gedurende zo’n twee jaar opgebouwde spanning tussen beide broers heeft zijn ontlading gevonden in de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij beide broers met onmiddellijke ingang zijn geschorst en een tijdelijk bestuurder is aangesteld in de persoon van advocaat [de vorige OK-bestuurder]. De vriendin van [RV] ([klaagster]) heeft fors bijgedragen aan de verdere escalatie van het conflict tussen beide broers en nadien aan het terugtreden van [de vorige OK-bestuurder]. De wijze waarop [de vorige OK-bestuurder] werd bejegend door [RV] en [klaagster] was voor haar reden zich te terug te trekken als OK-bestuurder. Ondergetekende is [de vorige OK-bestuurder] opgevolgd als tijdelijk door de Ondernemingskamer benoemd bestuurder. Van de zijde van [RV] en [klaagster] heb ook ik (als tijdelijk bestuurder) forse tegenwerking en géén medewerking ondervonden. (…)”  

1.27    Klaagster heeft daarop om uitleg gevraagd waarom haar naam genoemd wordt in het voorwoord. Daarop heeft verweerder diezelfde dag gereageerd:

“Wat “u begrijpt” is irrelevant voor mij; uw gewrongen redeneringen en conclusies zijn onjuist en voor uw rekening. Dit leidt nergens toe. De discussie met u sluit ik.  Het is de heer [RV] door de Ondernemingskamer uitdrukkelijk verboden, om al dan niet via u, contact op te nemen met mijn adviseurs. Desondanks doet hij dat nu weer, via u. De separate dwangsom aanzegging ter zake zal ik nazenden. Op uw mails wordt niet meer gereageerd. Als u verder iets wil dan moet u maar dagvaarden.”

1.28    Op 7 juli 2020 heeft verweerder zijn voorwaarden voor het komen tot een minnelijke oplossing herhaald aan RV, zonder kopie daarvan aan klaagster. Daarin is onder meer opgenomen:

“Indien [RV] en/of [klaagster] uitlatingen doet/doen of acties onderneemt/ondernemen die objectief gezien schade kunnen veroorzaken voor [VFG] of haar ondernemingen. gedurende een periode van drie jaar na ondertekening van de te sluiten dading, dan verbeurt [de B.V. van RV] haar hele aandeel in het liquidatieoverschot ten behoeve van [de B.V. van WV].”  

1.29    Op 13 juli 2020 heeft verweerder de rechtbank verzocht om over te kunnen gaan tot executoriale verkoop van het woonhuis van RV, waarop beslag lag. Klaagster heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat zij het eerste recht van hypotheek had. Daarop heeft verweerder gereageerd:

“Het is ronduit triest te zien hoe de affaire zich ontwikkelt. Op dát punt zijn wij het samen eens!  Het klopt, dit loopt waarschijnlijk niet goed af en als het zo doorgaat wordt er (nodeloos) nog meer “geld verbrand”. Ten aanzien van wie verantwoordelijk is voor de slechte afloop, verschillen we hartgrondig van mening. U steekt zeer veel energie in het “helpen” van [RV]. Tot nu toe heeft die aanpak niet het succes opgeleverd wat [RV] en u daarvan hadden verwacht. Dat zou aanleiding kunnen zijn uw energie anders te richten, namelijk zodanig dat uw acties, u en [RV] wél verder brengen. U zou samen met hem kunnen trachten met mij te komen tot een oplossing. Het voortgaan op de ingeslagen weg is heilloos en levert slechts verliezers op.  Vorige week kreeg ik een bericht van [RV] “hij wist het allemaal niet meer”. Letterlijk schreef hij mij:  De onderneming is nu verkocht, blijft alleen het dwangsommen verhaal nog over. Zoals u zult begrijpen ben ik volledig kapot en wil ik dit hoofdstuk afsluiten en mijn leven na een jaar weer proberen op te pakken. U praat over een regeling om de dure executies te keren / voorkomen. Zou u mij een voorstel willen sturen hoe u hierin staat, ik weet het niet meer. Ik hoop op uw redelijkheid.  Ik ben ingegaan op het verzoek van [RV] en heb een heel concreet en uitgewerkt aanbod gedaan. Acceptatie van dat voorstel zou betekenen dat (i) [RV] duidelijkheid heeft en verder kan met zijn leven (de ruzie beheerst dan niet volledig meer zijn leven), (ii) de financiële kwesties kunnen worden afgewikkeld en (iii) er slechts een fractie van de kosten wordt opgeroepen vergeleken met wat het voortzetten van uw gezamenlijke strijd (tegen VFG en mij) ook in de toekomst gaat kosten.  Op dat voorstel krijg ik in eerste instantie géén en vandaag een onbegrijpelijke reactie. Omdat er géén regeling is worden morgen de verzoekschriften ingediend bij de rechtbank. De kosten daarvan waren te vermijden geweest. Ook verdere kosten en executie zijn vermijdbaar als er alsnog een oplossing komt. Financieel gaat [RV] hier aan onderdoor als de ingeslagen weg wordt voortgezet. Ik denk dat u bij machte bent om te zorgen dat er alsnog een oplossing wordt bedacht.  Begin deze maand heb ik de huidige raadsman mr. [L] al aangegeven bereid te zijn tot een gesprek met hem en [RV]. Toen had ik nog het idee dat zo’n gesprek beter zonder u zou kunnen plaatsvinden. Inmiddels denk ik dat een gesprek waar u bij bent, meer zin heeft. Als u dat op prijs stelt dan kunnen we een afspraak maken waarbij u, [RV] en mr. [L] (of een andere raadsman) aanwezig kunnen zijn. Ik hoor wel of u van dit aanbod gebruik maakt.  Inhoudelijk reageer ik verder niet op uw onjuiste suggesties en verwijten. Ook in de toekomst reageer ik niet meer op uw mails, tenzij die oplossingsgericht zijn. Ik ga niet puntsgewijs proberen de vele onjuistheden die worden gedebiteerd in onderstaande mail te weerleggen; dat doe ik zo nodig wel in rechte. Ten aanzien van de domeinnaam kent u mijn standpunt.”  

Klaagster is niet ingegaan op verweerders voorstel om te overleggen.

1.30    Op 14 juli 2020 heeft verweerder aan mr. L en RV geschreven:

“Ik verwijs kortheidshalve naar onderstaande mailcorrespondentie met [klaagster], deels (kennelijk) mede namens [RV]. Uit de laatste reactie van [klaagster] blijkt overduidelijk dat het haar niet om de belangen van [RV] gaat. Zij heeft haar zinnen gezet op een niet aan haar in eigendom toebehorende domeinnaam en daar moet alles voor wijken. Zij lijkt te onderkennen (althans zou moeten onderkennen) dat de strijd die wordt gevoerd, [RV] te veel wordt (ik verwijs naar zijn recente e-mail waaruit ik heb geciteerd).  Desondanks wil zij niet praten over een oplossing en misbruikt zij haar invloed op uw cliënt.  Nu zij slechts een uiterst negatieve rol speelt in de discussie met uw cliënt stel ik voor de laatste keer voor, om samen met u en uw cliënt te kijken óf deze kwestie kan worden geschikt. Het alternatief is voor met name uw cliënt niet erg aanlokkelijk (hij dreigt immers nog veel meer, zo niet al zijn bezit, kwijt te raken). De vraag is echter óf uw cliënt, al dan niet met uw hulp, zodanig "los kan komen" van zijn vriendin [klaagster], dat schikken mogelijk wordt. De vraag dringt zich op wie in dit dossier voor [RV] per saldo de grootste problemen veroorzaakt? In mijn perceptie is dat [klaagster]; zij staat iedere oplossing in de weg en uw cliënt lijkt haar slaafs te volgen. U cliënt vindt het prachtig zoals zij (ogenschijnlijk) zijn belangen behartigt en voor hem op de bres springt. Tot het moment natuurlijk dat [klaagster] is uitgekeken op [RV]; dan is “Leiden in last”. Alsdan heeft [RV] tot het laatst gevochten – dat wilde met name [klaagster] – verloren en blijft uw cliënt berooid achter. Mogelijk wordt hij als dat moment is aangebroken ook nog door haar aan de kant gezet. Ik geloof bepaald niet in de goede bedoelingen van [klaagster].  Tot nu toe is geheel onderbelicht gebleven dat de vordering die [klaagster] pretendeert op [RV] niet klopt (veel te hoog is). Zij heeft indertijd een tweetal bankrekeningen met een creditsaldo “uitgeleend” (hetgeen verboden en dus nietig is). Ter zake is er volgens mij ook géén schuld omdat alle onttrekkingen aan die twee bankrekeningen ook weer zijn aangevuld met betalingen vanuit [VFG]. De ter securering van de nietige lening overeenkomst gevestigde 2e hypotheek volgt het lot van de leningsovereenkomst zélf. Daarnaast is zoals gezegd ter zake geen sprake van een schuld ([klaagsters] Holding heeft ter zake géén vordering op uw cliënt). Het ontstaan en het verloop van de beweerdelijke vordering zal dus gereconstrueerd moeten worden aan de hand van bankafschriften.  De vraag is natuurlijk hoe u in deze als advocaat met de belangen van [RV] omgaat; hij is uw cliënt maar [klaagster], althans haar vennootschap, betaalt uw rekening. In dat verband is het goed te constateren dat de herhaalde pogingen om überhaupt tot een oplossing te komen, van mij (de wederpartij) afkomstig zijn en niet van u als raadsman van [RV]. Het laat zich uittekenen wat er gebeurt bij een breuk tussen uw cliënt en [klaagster]. Een opvolgend advocaat van [RV] zou u nogal makkelijk (en waarschijnlijk terechte) verwijten kunnen maken. Wellicht dat deze vingerwijzing leidt tot het varen van een meer eigen koers voor (en ten aanzien van) uw cliënt.”  

1.31    Op 23 juli 2020 heeft verweerder aan klaagster geschreven dat hij de lening van klaagsters holding aan RV in twijfel trok en heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster geld schuldig is aan VFG. Daarin heeft verweerder gerefereerd aan e-mailberichten van klaagster aan RV uit zijn zakelijke e-mailbox.

1.32    Op 27 juli 2020 heeft verweerder aan klaagster bericht dat als hij niets van haar hoort, hij over gaat “tot dagvaarding van u en van [klaagsters] Holding in verband met onjuiste opgave van hetgeen zij onder het gevestigde hypotheekrecht wil trachten te trekken.”

1.33    Op 5 augustus 2020 heeft verweerder zijn verzoek aan klaagster herhaald om openheid te geven over de omvang van het nog openstaande bedrag aan geldlening en dat hij haar anders zal dagvaarden.

1.34    Op 25 november 2020 heeft verweerder een nieuw schikkingsvoorstel gedaan aan RV, waarin onder meer is opgenomen:

“[Klaagster] en [RV] zullen een conveniërende verklaring moeten tekenen dat zij “de wapens neerleggen” en al hun acties staken ook richting [VFG], [WV] en diens nieuwe zakenpartner.”

1.35    Op 15 december 2020 heeft de advocaat van RV aan RV geschreven:

“Ik heb zojuist [de advocaat van verweerder] aan de telefoon gehad. Ik heb hem verteld dat het doen van afstand van de vordering door [de B.V. van RV] (indien geen cessie tot stand is gekomen) niet wenselijk is. Hij kon mijn zienswijze volgen en stelde voor dat ik de voorwaarde(n) opnieuw formuleer. Hij wilde in ieder geval zekerheid hebben dat [klaagster] de overdracht van de vordering niet zou aantasten. Is [klaagster] bereid de overdracht van de vordering van [de B.V. van RV] naar [de B.V. van RV] en naar jou te erkennen en af te zien van een eventueel recht die overdracht ongedaan te maken?”

1.36    Op 16 december 2020 heeft de advocaat van verweerder naan de advocaat van RV geschreven:

“Het laten voortbestaan van enigerlei onduidelijkheid is voor [VFG] niet acceptabel. Dat geldt temeer omdat [VFG] rekening moet houden met de mogelijkheid dat de cessie ten titel van lastgeving enkel is opgezet met als doel de executie te frustreren, zoals [klaagster] ook eerder als hypotheekhoudster de executie van het vastgoed heeft gefrustreerd (…)”

1.37    Op 17 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Ondernemingskamer. Daarin heeft verweerder randvoorwaarden gesteld voor het treffen van een schikking, waaronder:

“[Klaagster] zal als partij bij de overeenkomst als eigen verplichting op zich nemen af te zien van (buiten)gerechtelijke acties gericht tegen betrokkenen en de onderneming [VFG].”  

1.38    Op 17 maart 2021 heeft verweerder in zijn processtuk in een procedure opgenomen dat klaagster de levenspartner van RV is.

1.39    Op 3 april 2021 is een nieuwe procedure gestart over een door RV aangevraagd faillissement van VFG. In een processtuk in die procedure heeft verweerder laten opnemen dat klaagster de nieuwe vriendin van RV is, dat RV en klaagster de vorige OK-bestuurder onheus hebben bejegend, dat hij zeer negatieve ervaringen heeft met RV en klaagster die op ongekende schaal en op absurde wijze zouden tegenwerken en saboteren, ondanks OK-beschikking uit maart 2020 doorgingen met hun schadelijk handelen en de executie van het woonhuis zouden frustreren en vertragen.

1.40    Op 31 juli 2021 heeft verweerder RV gedagvaard, met daarin een vergelijkbare inhoud als genoemd in overweging 1.39.

1.41    Op 20 januari 2022 heeft verweerder aan RV geschreven:

“in reactie op uw bericht deel ik u mede dat ik u bij de aanzegging zelf al heb aangegeven niet tot incasso over te gaan als [klaagster] en uzelf zich verder aan de opgelegde ge-/verbodsbepalingen houden. ik verwijs naar p.3 van mijn mail van 22 augustus 2022”. Ook nu tracht ik verdere escalatie te voorkomen. ik meld u dat ik thans verbeurde dwangsommen wel zal stuiten en blijven stuiten, maar voornemens ben die niet in te vorderen als u ([RV] en [klaagster]) zich verder aan de opgelegde dwangsom bepalingen (de ge- en verboden) houdt/houden”.

1.42    Op 10 februari 2022 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank over de aangezegde dwangsommen. Daarin heeft verweerder naar voren gebracht:

“(…) dat er geen sprake is van een louter zakelijke relatie tussen [klaagster] en [RV]. [Klaagster] grote invloed heeft op de opstelling van [RV] in diens conflict met zijn broer en bij dat conflict nauw betrokken is. [Klaagster] de emails voor [RV] heeft geschreven en [RV] mails heeft afgestemd met [klaagster]. Dit zou aansluiten bij de vaststelling van de OK, die daarom (18 maart 2020) de verboden die zij heeft opgelegd, heeft uitgestrekt tot overtreding via [klaagster].”  

1.43    Op 22 februari 2022 heeft verweerder opnieuw aan RV voorgelegd onder welke voorwaarden hij tot een schikking zou kunnen komen, waaronder:

“(…) 8. De dwangsomveroordeling in de beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2020 ten laste van [RV] en [de B.V. van RV] blijft (in haar ruime formulering) gehandhaafd totdat VFG geheel is afgewikkeld. Tot het moment van afwikkeling kunnen uw cliënten dus nieuwe dwangsommen verbeuren, die door mr. [verweerder] ook verhaald zullen worden. (…) dat ten laste van de woning van [RV] voor de duur van twee jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een recht van hypotheek wordt gevestigd, tot zekerheid voor de betaling van de boete als bedoeld in de bepaling onder 9. Als na twee jaar blijkt dat uw cliënten zich aan hun verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst hebben gehouden, zou afstand van de zekerheid voor die nakoming gedaan kunnen worden.”

1.44    Op 21 maart 2022 heeft de advocaat van verweerder een verzoek ingediend bij de Ondernemingskamer om dwangsommen op te leggen aan RV en klaagster, waarin onder meer is opgenomen: 

“5.6 De Onderzoeker constateert tevens dat [klaagster] een zeer negatieve rol heeft gespeeld en is blijven spelen, zowel onder eigen naam, als in haar rol van ghostwriter en adviseur/aanjager/meesteres van [RV]. Uit het Onderzoeksverslag blijkt voorts dat [klaagster] een grote invloed had op het beleid binnen Food Group. (…)”

1.45    Op 28 november 2022 heeft verweerder een processtuk ingediend bij de rechtbank, waarin klaagsters naam is genoemd. Klaagster heeft daarop de advocaat van verweerder aangeschreven.

1.46    Op 6 december 2022 heeft verweerder de OK-beschikking laten betekenen aan klaagster.

1.47    Nadien heeft verweerder aan klaagster geschreven dat indien zij de advocaat nogmaals zou benaderen, verweerder de rechter zou verzoeken om het volgende op te leggen:

“1. Dat indien gerequireerde ([klaagster]) bovenstaande verbodsbepalingen schendt door direct of indirect, beledigende, smadelijke of lasterlijke uitlatingen te doen over, of zicht ongevraagd anders dan door tussenkomst van een in Nederland op het tableau ingeschreven advocaat of ter gelegenheid van enige nog te houden aandeelhoudersvergadering, te wenden tot, of contact op te nemen met een OK-functionaris, diens kantoor en/of medewerkers en/of door hem/hen ingeschakelde derden, binnen één jaar nadat de vereffenaar van [VFG] rekening en verantwoording heeft afgelegd als bedoeld in artikel 2:23b lid 10 BW, ertoe leidt dat [RV] een dwangsom verbeurt van 25.000 Euro per overtreding met een maximum van 1 miljoen Euro  2 dat onder het voornoemde verbod dus tevens valt het ongevraagd contact zoeken door u [klaagster] met (i) door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen in de aanhangige enquêteprocedure bij [VFG] (waaronder [verweerder]), (ii) diens kantoor, (iii) en/of medewerkers, (iv) en/of door hem/hen ingeschakelde derden (waaronder [zijn advocaat]);  3 dat het ongevraagd (en meermalen, te weten op 25 november 2022 per email om 12.08 en 14.43 uur en vervolgens telefonisch) contact zoeken met de door [verweerder] ingeschakelde raadsman, [advocaat], onder de reikwijdte van voornoemde verbodsbepaling valt, en gerequireerde het verbod tot driemaal toe heeft overtreden,  4 dat de volgende keer dat gerequireerde deze bepaling overtreedt leidt tot het verbeuren door [RV] van een dwangsom van Euro 25.000 per overtreding  5 [VFG] en [verweerder] gerequireerde in kort geding zullen dagvaarden teneinde een vergelijkbaar laster- en contactverbod te eisen tegen gerequireerde persoonlijk op straffe van identieke dwangsommen indien u zich nog éénmaal schuldig maakt aan schending van deze door de rechter opgelegde verboden”  

1.48    Op 5 april 2023 heeft de advocaat van verweerder hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank over de verbeurde dwangsommen. In het hogerberoepschrift is klaagster aangemerkt als de partner van RV. Ook is daarin aangevoerd:

“Niet aldus moet worden uitgelegd dat [verweerder] moet verifiëren of [klaagster] haar uitlatingen mede namens haar partner heeft gedaan. Er moet wel blijken dat [RV] een andere opvatting huldigt dan [klaagster] en zich van de opvattingen van [klaagster] heeft gedistantieerd. Er is geen sprake van een louter zakelijke relatie tussen [klaagster] en [RV]. [Klaagster] heeft grote invloed op de opstelling van [RV] in diens conflict met [WV].”  

1.49    Op 10 maart 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.50    Op 15 maart 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend tegen de advocaat die door de Ondernemingskamer is benoemd tot onderzoeker. In reactie op de tuchtklacht heeft de onderzoeker onder meer aangegeven dat de passage onder overweging 1.44 niet afkomstig uit het onderzoeksverslag, maar uit diverse processtukken tussen verweerder en RV.

1.51    Op 16 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden in een procedure tussen verweerder en RV, waarbij verweerder de tuchtklachten van klaagster en RV heeft ingebracht.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster heeft haar klacht, nadat de deken haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, als volgt geformuleerd: 

1)    “[verweerder] heeft mij als privépersoon, geen partij en/of belanghebbende, op basis van smadelijke en lasterlijke onwaarheden, onterecht en tegen mijn wil bij zijn zaak betrokken en houdt dit tot op heden onder andere door middel van mij, zonder mijn medeweten, te laten opnemen in randvoorwaarden dwangsommen, in stand. Dit mogelijk gemaakt vanuit machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag.

2)    [verweerder] stalkt/belaagd, dan wel valt mij al ruim vier jaar lastig, voortkomend uit machtsmisbruik. Ik voel mij hierdoor onderbouwd niet veilig. 

3)    [verweerder] bedient zich tegenover mijn persoon van ongepast, intimiderend, onfatsoenlijk, en grof gedrag, waarmee onheuse bejegening. 

4)    [verweerder] heeft niet integer (onbetamelijk), waarmee klachtwaardig, gehandeld, door mijn zakelijke en privé e-mailverkeer (over een periode van vier jaar) onterecht en onbevoegd, zonder mijn toestemming, in zijn bezit te nemen. De inbeslagname van mijn privé- en zakelijke emailberichten is niet met mij overlegd waardoor ik geen bezwaar kon maken. Het gaat hierbij om e-mailberichten die niet waren gericht aan het bedrijf van [RV], maar aan [RV] in privé. Om die reden had [verweerder] mijn e-mailberichten zich nooit mogen toeeigenen. (Hierna: de ‘Berichten”).   

5)    [verweerder] heeft niet integer (onbetamelijk), waarmee klachtwaardig, gehandeld door de Berichten te lezen   

6)    [verweerder] is niet vertrouwelijk omgegaan met de Berichten, hij heeft (mij bekend geworden op 7 september 2021) klachtwaardig gehandeld door de Berichten en persoonsgegevens met derden, mij onbekende partijen, te delen   

7)    [verweerder] heeft klachtwaardig gehandeld door de Berichten uit te printen (te zien aan de perforatiegaten), te vermenigvuldigen en te gebruiken in zijn rechtbankstukken waarmee openbaar te maken.   

8)    [verweerder] mengt zich in mijn persoonlijke aangelegenheden   

9)    [verweerder] is bij aanvang van zijn opdracht niet onafhankelijk, dan wel partijdig gebleken, en voert mij vanuit zijn persoonlijk belang, al meer dan 4 jaar op als antenne in zijn rechtszaken/rechtbankstukken, met als doel de werkelijke zaken (waarmee zijn fouten) te verhullen. Dit veelal zonder mijn medeweten en zonder hoor en wederhoor.   

10)    [verweerder] maakt al ruim vier jaar lang (ge-)misbruik van het feit dat ik vrouw ben, waardoor hij mij, als geen partij en/of belanghebbende, in zijn (rechtbank)stukken telkenmale onterecht als de nieuwe vriendin/ partner/levensgezel/levenspartner opvoert van de partij waarmee hij een rechterlijk geschil heeft. [verweerder] maakt hiermee gebruik dan wel misbruik van mijn vrouw zijn, waarmee hij zich schuldig maakt aan seksisme en aantoonbaar grensoverschrijdend gedrag.   

11)    [verweerder] bedient zich tegenover mij rechtstreeks en naar derden van grensoverschrijdend en provocerend gedrag, ongepaste uitlatingen, dan wel uitlokkingen, met als doel mij te dwingen mij hiertegen te verdedigen met reacties die vervolgens door [verweerder] (met dwangsommen van EUR 25.000 per stuk, opgelegd aan de partij waarmee hij zijn geschil heeft) worden bestraft.   

12)    [verweerder] presenteert zijn onwaarheden over mij als een enorme brei aan “feiten", waarbij hij (OK-)rechters bewust een compleet verkeerde voorstelling van zaken geeft. Dit bedoelt om de rechters en de Ondernemingskamer te misleiden. [verweerder] stelt over mij tal van aperte onwaarheden, en bouwt hier al vier jaar lang zijn verhaal omheen. Deze strategie loont lees ik in de (OK) beschikkingen, waar ik veelvoudig in sta genoemd. [verweerder] wordt vanuit zijn functie door rechters en de Ondernemingskamer, onvoorwaardelijk geloofd. [verweerder] maakt (mis-) gebruik van het in hem gestelde vertrouwen, met voor mij schadelijke gevolgen.   

13)    [verweerder] heeft mij, zonder mijn medeweten, zonder hoor en wederhoor, op basis van het geven van onwaarheden dan wel onjuiste informatie, maart 2020, herhaald mei 2020 en opnieuw, waarmee niet verjaard, 16 november 2022 op laten nemen in (OK) dwangsom voorwaarden opgelegd aan zijn cliënt [verweerder] maakt mij hiermee verantwoordelijk voor de financiële positie van derden.   

14)    [verweerder] hindert mij al vier jaar in mijn persoonlijke vrijheid doordat [verweerder] mij zonder mijn medeweten en zonder hoor en wederhoor, op basis van onwaarheden, heeft laten opnemen in dwangsom voorwaarden opgelegd aan zijn cliënt, waarmee er sancties worden opgelegd op mijn berichten (ongeacht de inhoud) met als enig doel mij monddood te maken. Ik word hiermee gehinderd in mijn vrijheid van meningsuiting. Dit is een schending van mijn persoonlijke levenssfeer.   

15)    [verweerder] heeft mij op basis van onwaarheden maart 2020, mei 2020, en opnieuw 16 november 2022, zonder mijn medeweten en zonder hoor en wederhoor, op laten nemen in randvoorwaarden, waartegen ik mij niet kan verweren omdat ik geen partij en/of belanghebbende ben, waarmee ik geen zaak heb. Ik word hiermee gehinderd in mijn persoonlijke vrijheid, en sta hiermee als geen partij en/of belanghebbende nu al vier jaar onder toezicht van [verweerder] .   

16)    [verweerder] houdt zijn toezicht over mij nu al meer dan vier jaar in stand, zonder voor mij zicht op afronding. Ik ben geen partij en/of belanghebbende, wat maakt dat ik voor afronding van zijn zaak, waarna ik uit de randvoorwaarden ben, afhankelijk ben van derden. [verweerder] heeft zijn cliënt ([RV]) al voor tien jaar procedures in het vooruitzicht gesteld, wat inhoudt dat het toezicht op mij door [verweerder] nog zeker tien jaar voortduurt, wat tegenover mij onmenselijk is en wat ik geestelijk en lichamelijk niet meer aan kan. [verweerder] maakt zich hiermee schuldig aan machtsmisbruik.   

17)    [verweerder] bedient zich over mijn persoon van wangedrag. [verweerder] maakt zich tegenover mij schuldig aan grensoverschrijdende gedragingen waaronder pesten, provoceren, kwaadsprekerij, beledigende opmerkingen, en bijnamen geven. Dit gebeurt ook vaak tijdens zittingen waarbij ik niet aanwezig ben omdat ik geen partij en ook geen belanghebbende ben.   

18)    [verweerder] bedient zich tegenover mij van dominant, agressief gedrag om mij als geen partij en/of belanghebbende daarmee onder controle te kunnen houden.   

19)    [verweerder] verspreid lasterlijke berichten over mij, in zijn rechtbankstukken, in een informatiememorandum wat is verstuurd aan zeker 24 partijen, en in een voorwoord jaarrekening (waarmee openbaar), en stopt hier niet mee en/of rectificeert zijn over mij verspreide onjuiste, lasterlijke berichten niet.   

20)    [verweerder] bedient zich over mij (rechtstreeks en naar derden) van lasterlijke, smadelijke, beledigende onwaarheden die hij presenteert als feiten, waarmee [verweerder] mijn goede naam aantast. Dit met als doel mijn reputatie te ruïneren, met als gevolg het aantasten van mijn geloofwaardigheid ingeval ik mij hiertegen verweer.   

21)    [verweerder] intimideert mij al ruim vier jaar om te proberen mij te verlammen, waarmee mijn gedrag te beïnvloeden. Dit met goed resultaat. Ik heb mij door het onterechte grof geweld waarmee [verweerder] tekeergaat, mij al vier jaar niet kunnen verweren.   

22)    [verweerder] werkt op basis van onmenselijkheid, hij zet zijn cliënt zonder inkomen, waarmee zonder geld voor eten (en rechtsbijstand), dit wilde [verweerder] versterken door mij als hypotheekhouder te dwingen de woning van zijn cliënt te verkopen. [verweerder] wilde mij door middel van intimidatie inzetten voor hulp bij zijn “oorlogsmisdaden”, waarmee hij zijn cliënt naast uithongeren, via mij, onterecht dakloos had gemaakt, bedoeld als middel voor het murw maken van zijn cliënt dit ten behoeve van het verkrijgen van zijn vrijwaring.   

23)    [verweerder] negeert mijn vragen door mij simpelweg niet te antwoorden en/of mij beledigend te antwoorden.   

24)    [verweerder] heeft mij ingezet, dan wel misbruikt voor financieel gewin.   

25)    [verweerder] heeft mij gebruikt als afleiding/antenne, om de aandacht af te leiden van eerst het verbloemen van het onbehoorlijk bestuur van zijn voorganger, en aansluitend voor verbloemen van [verweerder] zijn eigen onbehoorlijk bestuur   

26)    [verweerder] heeft mij aangekondigd dat mocht ik mij willen verweren tegen de over mij door [verweerder] verspreide smadelijke en lasterlijke onwaarheden, [verweerder] een kort geding tegen mij persoonlijk zal instellen waarin hij op mij persoonlijk dwangsommen gaat aanvragen van EUR 25.000 per bericht. Hiermee ontneemt [verweerder] mij mijn recht op verweer. Dit is intimidatie en machtsmisbruik, bedoeld om mij monddood te maken dan wel te houden. [verweerder] hindert mij hiermee in mijn persoonlijke vrijheid, dit is een schending van mijn persoonlijke levenssfeer.   

27)    [verweerder] is voor mij een totaal onbekende persoon, die zich tegenover mij al ruim vier jaar schuldig maakt aan stalkingsgedrag. Ik ben een privépersoon en geen partij en/of belanghebbende in een zaak van [verweerder] maar wordt desondanks al ruim vier jaar rechtstreeks door advocaat [verweerder] benaderd en bij zijn geschil betrokken. Ik voel mij hierdoor onveilig, ik wil niets te maken hebben met deze advocaat.   

28)    [verweerder] is niet objectief, en bewaart geen professionele afstand. [verweerder] voert zijn zaken op de persoon. [verweerder] beschikt niet over inlevingsvermogen, waar het anderen dan zichzelf betreft.   

29)    [verweerder] heeft zonder mijn medeweten, hier niet toe bevoegd, mijn zakelijke en privé contacten benaderd om (financiële) informatie over mijn zaken te verkrijgen. [verweerder] heeft naast schenden van mijn privacy, hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit.   

30)    [verweerder] heeft zich onbevoegd gemengd in mijn zaken, en mij daarmee in diskrediet gebracht, met als gevolg reputatieschade, [verweerder] heeft de indruk gewekt dat ik een cliënt van hem ben, en ben verwikkeld in een gerechtelijke procedure, wat pertinent niet het geval is.   

31)    [verweerder] heeft zich in mijn zaken gemengd, en mij aansluitend gehinderd in mijn zakelijk belang. [verweerder] heeft mij gesommeerd mijn eigen afspraak af te zeggen, bij weigering zou [verweerder] zijn cliënt een dwangsom krijgen van EUR 100.000. Dit is een schending van mijn privacy en inmenging in mijn zaken.   

32)    [verweerder] voert mij, zonder mijn medeweten, en zonder hoor en wederhoor, al vier jaar met lasterlijke onwaarheden op in zijn rechtbankstukken. [verweerder] noemt mij in zijn rechtbankstukken respectloos bij mijn voornaam. Ik ben (zoals terecht vastgesteld door de OK) geen partij en/of belanghebbende, ik kom dus ook niet op zittingen, en krijg de (rechtbank) stukken waarin ik lasterlijk genoemd sta, niet toegestuurd, waarmee niet te lezen. [verweerder] voert al ruim vier jaar zijn (nu al 23) rechtszaken, op mijn persoon, waarmee over en achter mijn rug.  

33)    [verweerder] heeft mij geprovoceerd, door mij per gerechtsdeurwaardersexploot een niet-geanonimiseerd rechtbank stuk/beschikking te sturen, welke ik als geen partij en/of belanghebbende (van de OK) niet mag lezen, dan wel mag hebben met daarin te lezen lasterlijke en grensoverschrijdende uitlatingen en conclusies over mij, waar ik mij niet tegen kan verweren, want ik ben geen partij en/of belanghebbende, waarmee niet aanwezig bij zittingen. Bedoeld om mij bij voorkeur boze uitspraken (berichten) te ontlokken welke hij vervolgens met dwangsommen kan bestraffen aan zijn cliënt.   

34)    [verweerder] heeft er als advocaat voor gezorgd, dit door mij op te nemen in de dwangsom voorwaarde dat ik mij niet zonder sancties mag verweren tegen alle onrechtmatige onwaarheden, respectloze, seksistisch, grensoverschrijdende uitlatingen die [verweerder] in het openbaar over mij en in rechtbankstukken en naar derden over mij stelt. Dit omdat de cliënt van [verweerder] (ongeacht de inhoud) een dwangsom van EUR 25.000 krijgt op mijn bericht. [verweerder] ontneemt mij hiermee mijn recht op verweer, en maakt zich hiermee tegenover mij schuldig aan vernedering. Ik heb hierdoor psychische, emotionele schade opgelopen.   

35)    [verweerder] voert mij in zijn zaak, zonder mijn medeweten, al jaren (2020, herhaald februari 2022) op als onderdeel nodig voor afronding van de zaak met zijn cliënt. Ik moet als extern financier, ik krijg deze voorwaarden niet rechtstreeks toegestuurd, mijn zakelijk onderpand (hypotheekrecht) aan [verweerder] afgeven, waarna [verweerder] zijn zaak met zijn cliënt afrondt. [verweerder] maakt mij hiermee verantwoordelijk voor de afronding van de zaak met zijn cliënt.   

36)    [verweerder] hindert mij in mijn zakelijk belang door te eisen dat ik voor afronding van de zaak met zijn cliënten, ik mijn recht van hypotheek aan [verweerder] moet afstaan. [Verweerder] mengt zich hiermee in mijn persoonlijke en zakelijke aangelegenheden, dit is een vreemd verzoek waar een bank ook nooit in mee zou gaan, waaruit blijkt dat [verweerder] door middel van onrealistische voorstellen de afronding van de zaak al vier jaar, over mijn rug, tegenhoudt.   

37)    [verweerder] houdt zijn onbehoorlijk en grensoverschrijdend gedrag (waar alle hierboven bovengenoemde klachtonderdelen op toezien) en "bewind voering" over mij, nu al meer dan vier jaar in stand, zonder voor mij zicht op afronding. Ik heb geen zaak, waarmee ik geen invloed heb op de procesgang, waarmee op de afronding. [verweerder] maakt zich hiermee schuldig aan machtsmisbruik en ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag, het is onmenselijk deze terreur richting mij nog jaren te laten voortduren. Ik heb zaken gelezen waar [verweerder] na 15 jaar nog niet gestart is met zijn afronding. Ik wil weten wanneer ik uit de randvoorwaarden ben, waarmee ik van advocaat [verweerder] af ben”.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Verweerder is advocaat, maar heeft in deze kwestie richting klaagster uitsluitend gehandeld als door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder en vereffenaar van VFG. Het in de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft het advocatentuchtrecht in die zin voor hem gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijke advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden (vgl. HvD 5 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:131). Dat betekent dat de voorzitter de klacht over verweerder hierna kan behandelen, omdat verweerder advocaat is, maar daarbij enkel kijkt of verweerder vanuit zijn functie van tijdelijk bestuurder en vereffenaar het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Ontvankelijkheid

4.2    Op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet geldt voor het indienen van een klacht een vervaltermijn van drie jaar. Deze termijn start op het moment dat de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat dan om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij de klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij de klager. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van de vervaltermijn van drie jaar een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

4.3    Klaagster heeft haar klacht ingediend op 10 maart 2024. Dat betekent dat de voorzitter enkel kan oordelen over het handelen van verweerder vanaf 10 maart 2021, gelet op de driejaarstermijn uit artikel 46g, lid 1 onder a, van de Advocatenwet. De voorzitter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het tweede lid van artikel 46g van de Advocatenwet. Uit het dossier volgt namelijk dat klaagster door RV gedurende de kwestie regelmatig op de hoogte werd gehouden. Klaagster was dan ook tijdig bekend met de gevolgen van verweerders handelen van vóór 10 maart 2021, maar in ieder geval ruim vóór 10 maart 2023 (zijnde één jaar voorafgaand aan het indienen van de klacht).

4.4    Dit heeft als gevolg dat de voorzitter hierna niet nader zal ingaan op verweerders handelen vóór 10 maart 2021. Slechts waar het gaat om handelingen die na die periode hebben voortgeduurd of zich hebben herhaald, zal de voorzitter hierna ingaan. Dit heeft als gevolg dat in ieder geval klachtonderdeel 31 hierna niet verder wordt besproken, nu dit ziet op handelen uit november 2019. 

Beoordeling

4.5    Klaagster heeft een aanzienlijke hoeveelheid – soms dubbele – klachtonderdelen naar voren gebracht. De voorzitter maakt daaruit de volgende hoofdthema’s op:

1.    Het gebruik van de e-mails

2.    De dwangsommen

3.    Grievende uitlatingen

4.6    De voorzitter zal de klachtonderdelen, voor zover ontvankelijk, hierna aan de hand van deze hoofdthema’s bespreken.

Hoofdthema 1: het gebruik van de e-mails

4.7    Onder dit hoofdthema vallen de klachtonderdelen: 4, 5, 6 en 7. Samengevat komen zij erop neer dat verweerder geen toegang had mogen krijgen tot de e-mails tussen klaagster en RV, die e-mails niet had mogen bewaren en ook niet had mogen gebruiken.

4.8    De voorzitter stelt vast dat de betreffende e-mails afkomstig zijn uit de zakelijke e-mailbox van RV. Verweerder heeft daartoe toegang verkregen uit hoofde van zijn benoeming als tijdelijk bestuurder van VFG. Dat verweerder die e-mailbox heeft doorgelezen, waaronder ook e-mails van en aan klaagster, is onvoldoende om te concluderen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Het behoort tot het risico van RV en klaagster dat zij het zakelijke e-mailadres hebben gebruikt in hun correspondentie; daarmee hebben zij het risico aanvaard dat dit door anderen binnen het bedrijf gelezen kon worden. Voor zover klaagster betoogt dat daarmee haar verschoningsrecht is geschonden, slaagt dit alleen al niet omdat aan haar geen verschoningsrecht toekomt.

4.9    Dat verweerder deze e-mails vervolgens heeft gebruikt in procedures door en tegen VFG, levert geen beschadiging van het vertrouwen in de advocatuur op. Als bestuurder/vereffenaar van VFG heeft verweerder dit in het belang van VFG mogen doen. Dat klaagster dit onwenselijk vindt is begrijpelijk, maar dit levert geen gegronde klacht op.

4.10    Klachtonderdelen 4, 5, 6 en 7 zijn daarom kennelijk ongegrond. Hoofdthema 2: de dwangsommen

4.11    Onder dit hoofdthema vallen de klachtonderdelen: 1, 13, 14, 15, 16, 26, 34, 35 en 36. Samengevat komen zij erop neer dat verweerder de vrijheid van meningsuiting van klaagster inperkt door haar te betrekken in het geschil tussen VFG en RV, haar naam te noemen in procedures waar zij buiten staat, haar op te laten nemen in de dwangsomvoorwaarden en door haar op te laten nemen in de randvoorwaarden tussen VFG en RV om tot een schikking te komen.

4.12    De voorzitter ziet in het hiervoor samengevatte verweten gedrag niet dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Het stond verweerder vrij om als bestuurder/vereffenaar en in het belang van VFG aan de Ondernemingskamer te verzoeken om RV, al dan niet via klaagster, te verbieden om zich – kort gezegd – met (de verkoop van) het bedrijf te bemoeien en kwaad te spreken over verweerder. Nadat dat verzoek door de Ondernemingskamer was toegewezen, stond het verweerder ook vrij om de daaraan verbonden dwangsommen op te eisen. Door gebruik te maken van de aan hem door de rechter verleende mogelijkheden, wordt het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Als klaagster zich niet kon verenigen met de richting haar opgelegde verboden, dan had zij daar rechtsmiddelen tegen moeten aanwenden. Overigens geldt dat slechts RV de dwangsommen zou verbeuren en dat RV klaagster ook niet aansprakelijk houdt/heeft gehouden voor de door haar verbeurde dwangsommen. De dwangsommen hebben voor klaagster dan ook geen negatieve consequenties. 

4.13    Dat verweerder klaagster heeft uitgelokt zodat hij dwangsommen kon opeisen, volgt niet uit het dossier. Dit geeft eerder een tegenovergesteld beeld, namelijk dat verweerder heeft geprobeerd om het contact tussen hem, RV en klaagster zo beperkt mogelijk te houden om zijn opdracht als bestuurder uit te kunnen voeren zonder dat hij daarbij werd belemmerd door RV en klaagster. Dit blijkt uit de door verweerder gevraagde verboden, zijn eisen voor een schikking met RV, zijn mededeling aan klaagster dat zij zijn advocaat niet meer moest benaderen en dat hij niet meer op haar berichten zou reageren. Dat verweerder onder meer de beschikkingen van de Ondernemingskamer heeft laten betekenen, vormt ook geen uitlokking maar is de geëigende weg om klaagster te attenderen op de dwangsommen.

4.14    Tot slot mocht verweerder, om tot een schikking met RV te komen, ook de voorwaarde voorstellen dat klaagster zich zou onthouden van negatieve uitlatingen over hem of dat zij het recht van hypotheek zou overdragen. Het stond klaagster vervolgens vrij om daar al dan niet mee akkoord te gaan. Dat zij ook niet bij de schikkingsonderhandelingen tussen verweerder en RV zelf betrokken was, doet er ook niet aan af dat verweerder dit mocht voorstellen. Het vertrouwen in de advocatuur is daarmee niet geschaad.

4.15    Klachtonderdelen 1, 13, 14, 15, 16, 26, 34, 35 en 36 zijn daarom kennelijk ongegrond.

Hoofdthema 3: grievende uitlatingen

4.16    Onder dit hoofdthema vallen de klachtonderdelen: 2, 3, 8, 9, 10, 11, 12, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33 en 37. Samengevat komen zij erop neer dat verweerder zich grievend uitlaat richting klaagster omdat zij vrouw is en haar lastig blijft vallen, terwijl zij niets met de zaak te maken heeft. Verweerder zou hiermee zijn eigen fouten willen verhullen.

4.17    Anders dan klaagster stelt, volgt de voorzitter haar niet in de stelling dat verweerder misbruik maakt van haar vrouw-zijn of dat hij seksistisch is door klaagster aan te merken als partner van RV. In door verweerder overgelegde e-mails tussen klaagster en RV, afkomstig uit de zakelijke e-mailbox van RV, benoemt klaagster richting een matrassenleverancier RV als haar partner, wordt in dezelfde e-mailwisseling met de matrassenleverancier gesproken over het matras waarop zij bij haar partner slaapt en sluit zij een e-mail richting RV af met kusjes (“xxx”). Verweerder heeft dan ook het meer dan plausibele standpunt kunnen innemen dat klaagster niet enkel een zakelijke, maar ook een affectieve relatie heeft met RV. 

4.18    De voorzitter leidt uit het dossier verder niet af dat verweerder klaagster op dusdanig onheuse wijze heeft bejegend dat hij daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verweerder heeft zich wellicht harder uitgelaten dan klaagster als prettig ervaart, maar dat is niet van zodanige aard dat daarmee sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Relevant daarbij is dat sprake was van een uit de hand gelopen zakelijk conflict dat ook daarna nog veel verder is geëscaleerd. De Ondernemingskamer heeft ingegrepen door RV met aanzienlijke dwangsommen te trachten te sturen in zijn handelen, waarbij uit de stukken – waaronder de OK-beschikking van 29 mei 2020 – volgt dat klaagster daar op de achtergrond ook bij betrokken was. Klaagster kan zich belemmerd hebben gevoeld in haar zakelijke belangen door het conflict dat zij en RV hadden met verweerder en VFG, maar dat komt omdat zij zich ook steeds opnieuw in het conflict mengde om RV te steunen. Het kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend dat hij zich daartegen heeft willen verweren.

4.19    Dat verweerder vervolgens op enig moment kwaad heeft gesproken over de, in zijn ogen, negatieve invloed van klaagster op RV, valt onder de vrijheid die hij als bestuurder heeft. Het is de voorzitter verder ook niet uit het dossier gebleken dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan stalking, provocatie, pesterijen en vergelijkbare hem gemaakte verwijten. Als klaagster meent dat daarvan sprake is en dat zij daardoor reputatieschade heeft opgelopen, dan kan zij dit voorleggen aan de civiele rechter. Dat verweerder dit bovendien zou doen om zijn eigen foutieve handelen als bestuurder te verbloemen, is door klaagster slechts gesteld maar niet deugdelijk onderbouwd.

4.20    Wel ziet de voorzitter dat klaagster in een door verweerder goedgekeurd processtuk is aangemerkt als “meesteres van” RV, als woordspeling op haar achternaam en, aldus verweerder, omdat zij een dominante invloed zou hebben op RV. Ook een onsmakelijke woordgrap betekent echter niet dat het vertrouwen in de advocatuur onmiddellijk is geschaad.

4.21    Klachtonderdelen 2, 3, 8, 9, 10, 11, 12, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33 en 37 zijn daarom kennelijk ongegrond.

Conclusie

4.22    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, voor zover gericht op verweerders handelen vóór 10 maart 2021 en waaronder in ieder geval klachtonderdeel 31, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren. De klacht is voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  -    de klacht, voor zover gericht op verweerders handelen vóór 10 maart 2021 en waaronder in ieder geval klachtonderdeel 31, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk; -    de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op [datum].

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 26 maart 2025