Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-03-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:54

Zaaknummer

25-077/A/NH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtzaak is kennelijk ongegrond. Dat verweerder de door hem ingediende producties op onrechtmatige, dan wel ongeoorloofde, wijze zou hebben verkregen, blijkt naar het oordeel van de voorzitter uit niets en klager heeft dit verwijt ook niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. De voorzitter overweegt ten overvloede dat het er alle schijn van heeft dat klager met het indienen van deze derde klacht tegen verweerder, in ook hetzelfde feitencomplex, vooral lijkt te beogen aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Het tuchtrecht is daarvoor niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de voorzitter in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de raad van discipline niet meer in behandeling zal worden genomen.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van 24 maart 2025 in de zaak 25-077/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 4 februari 2025 met kenmerk re/ss/24-507/2387326, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager nagezonden stukken van 21 januari 2025.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is in een familierechtelijk geschil verwikkeld met zijn ex-vrouw (hierna: de vrouw) over onder meer de omgang en het gezag van hun kind (hierna: het kind).   1.2    Verweerder staat de vrouw in het geschil bij. Klager wordt ook bijgestaan door een advocaat.  1.3    Op 9 december 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. In randnummer 11 van het verweerschrift staat:  “(…) Verder heeft de vrouw medio 2022 ook de moed verzameld om uitgebreid aangifte te doen tegen [klager] van stelselmatig en ernstig huiselijk geweld, inclusief het seksuele geweld waaruit [het kind]  is geboren. (…)” 1.4    Productie 1 van het verweerschrift is een brief van 21 juli 2021 van de politie aan verweerder. In de brief staat, voor zover relevant:  “(…) In uw verzoek geeft u aan kennis te willen nemen of de politie op uw cliënte betrekking hebbende persoonsgegevens verwerkt. Meer specifiek verzoekt u om alle registraties die uw cliënte gedaan heeft vanaf 01-01-2016 m.b.t. [klager]. Dit is een verzoek als bedoeld in artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg). Deze brief bevat mijn besluit op uw verzoek. Besluit Met in achtneming van onderstaande regelgeving en uw verzoek heb ik besloten dit toe te wijzen. Ik stuur u het bijgevoegde overzicht van de registratie(s) en/of melding(en) waarin informatie over uw cliënte wordt verwerkt. (…)” 1.5    Productie 2 van het verweerschrift betreft een proces-verbaal van aangifte van de vrouw van 5 oktober 2022 tegen klager van bedreiging, belaging en mishandeling, wat door hem zou zijn gepleegd op 13 juni 2022.  1.6    Op 7 maart 2023 en op 17 juni 2023 heeft klager eerdere klachten tegen verweerder ingediend bij de deken.  1.7    In de klacht van 7 maart 2023 verweet klager verweerder een leugen in zijn verweerschrift van 9 december 2022 te hebben verkondigd. Nadat de deken hierover zijn visie had gegeven, heeft klager deze klacht niet verder doorgezet, waarna de deken het betreffende klachtdossier heeft gesloten.   1.8    In de klacht van 17 juni 2023 verweet klager verweerder artikel 272 van het wetboek van strafrecht te hebben geschonden. Op een verzoek van de deken om de klacht verder door klager te onderbouwen, heeft klager niet gereageerd waarna ook dit dossier door de deken is gesloten.  1.9    Op 5 november 2024 heeft klager de onderhavige klacht bij de deken ingediend over verweerder.  

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder de rechtbank te hebben misleid en artikel 272 van het wetboek van strafrecht te hebben overtreden. Ook heeft verweerder de reputatie van het kind van klager vernietigd door haar in zijn verweerschrift als het resultaat van verkrachting te bestempelen.  

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid van de klacht 4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel (artikel 47b Advocatenwet). Dat beginsel houdt in dat niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter al geoordeeld heeft. Het beginsel brengt ook mee dat een klager, die zich naar aanleiding van een bepaald feitencomplex over een advocaat wenst te beklagen, zijn klachten in één keer kenbaar dient te maken. Het beginsel verzet zich ertegen dat, nadat een klacht over een feitencomplex is beoordeeld en daarop is beslist, de klager zich later opnieuw en met een andere klacht naar aanleiding van datzelfde feitencomplex over de advocaat beklaagt. Een advocaat heeft immers belang bij toepassing van het beginsel van rechtszekerheid, dat onder meer meebrengt dat een advocaat ervan mag uitgaan dat alle klachten over de wijze waarop hij gedurende een bepaalde periode zijn werkzaamheden heeft verricht gelijk worden ingediend.  4.2    De voorzitter stelt vast dat de door klager gemaakte verwijten richting verweerder in de kern dezelfde verwijten betreffen als die reeds eerder door klager zijn genoemd in zijn eerdere klachten. De verwijten zien ook op hetzelfde feitencomplex. Klager had de onderhavige klacht dan ook mee kunnen nemen bij indiening van zijn eerdere klachten tegen verweerder, maar dat heeft hij niet gedaan. Anders dan verweerder, is de voorzitter van oordeel dat desondanks geen sprake is van het hiervoor genoemde ne bis in idem beginsel. De voorzitter acht hiertoe van belang dat de eerdere klachten van klager tegen verweerder niet hebben geleid tot een uitspraak van de tuchtrechter. Van een ne bis in idem situatie zoals bedoeld in 4.1 is daarom geen sprake. De klacht is derhalve ontvankelijk en zal hierna verder inhoudelijk worden beoordeeld.  Inhoudelijke beoordeling  4.3    Het algemene uitgangspunt is dat advocaten veel vrijheid hebben om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Partijdigheid is niet zonder reden een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Toch is die vrijheid niet onbeperkt. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie geven. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen. Wel moeten zij zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot noemenswaardig voordeel van hun cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. Advocaten dienen verder de belangen van hun cliënt te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat hun cliënt hen verschaft. In het algemeen mogen zij afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen zijn zij gehouden de juistheid daarvan te verifiëren.  In familiezaken moet een advocaat daarnaast waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, omdat met name de belangen van kinderen een grote rol kunnen spelen. 4.4    De voorzitter stelt voorop dat een bezwaar tegen het toelaten van stukken in de procedure in beginsel ter beoordeling aan de rechter in het onderliggende geschil is, en niet aan de tuchtrechter. Daarnaast stelt de voorzitter vast dat verweerder de betreffende registratielijst met meldingen heeft verkregen, nadat hij hiertoe eerst een verzoek bij de politie had gedaan. Bij politiebesluit van 21 juli 2021 is dit verzoek door de politie toegewezen, waarna de lijst aan verweerder is verstrekt en hij deze vervolgens als productie 1 bij zijn verweerschrift in de procedure heeft ingebracht. Het door verweerder als productie 2 ingediende proces-verbaal van aangifte heeft verweerder -naar eigen zeggen- via zijn cliënte, de vrouw, verkregen nu zij zich als slachtoffer in de betreffende procedure had gevoegd. Dat verweerder deze door hem ingediende producties op enige andere, onrechtmatige dan wel ongeoorloofde, wijze zou hebben verkregen, zoals klager stelt, blijkt naar het oordeel van de voorzitter uit niets en klager heeft dit verwijt ook niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. De klacht is in zoverre reeds ongegrond. 4.5    Het daarnaast door klager richting verweerder gemaakte verwijt dat verweerder de reputatie van het kind zou hebben “vernietigd”, door haar in zijn verweerschrift als het resultaat van verkrachting te bestempelen, treft naar het oordeel van de voorzitter evenmin doel. De voorzitter overweegt hiertoe dat de opmerking ziet op een stelling van de cliënte van verweerder, waarvan zij, blijkens het eveneens door verweerder overgelegde proces-verbaal, eerder ook al aangifte bij de politie had gedaan. Verweerder vertegenwoordigde als advocaat het standpunt van de vrouw en niet blijkt dat hij aan de juistheid van deze door de vrouw aan hem verschafte informatie diende te twijfelen. Verweerder mocht de opmerking in het verweerschrift namens zijn cliënte dan ook naar voren brengen ter behartiging van haar belangen. Daarbij is klager in de gelegenheid gesteld om hierop, met bijstand van zijn advocaat, in de onderliggende procedure te kunnen reageren. Dat verweerder de rechtbank met deze opmerking zou hebben misleid, of dat hij hierover zou hebben gelogen, zoals klager verweerder verwijt, is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken dat verweerder de procedure met het plaatsen van deze opmerking onnodig zou hebben gepolariseerd.  4.6    De voorzitter concludeert op grond van het voorgaande dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. De klacht zal daarom, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond  worden verklaard.  4.7    De voorzitter overweegt ten overvloede dat het er alle schijn van heeft dat klager met het indienen van deze derde klacht tegen verweerder, in ook hetzelfde feitencomplex, vooral lijkt te beogen aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Het tuchtrecht is daarvoor niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de voorzitter in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de raad van discipline niet meer in behandeling zal worden genomen.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 24 maart 2025