Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-03-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:47

Zaaknummer

25-095/DB/LI

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Een advocaat-cliëntrelatie is niet tot stand gekomen. Hiervan kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Een advocaat is namelijk niet verplicht om een opdracht te aanvaarden. Dat verweerder aan klager onrechtmatig advies heeft gegeven of onrechtmatig jegens klager heeft gehandeld kan niet worden vastgesteld. Ook kan niet worden vastgesteld dat verweerder zich op intimiderende of kleinerende wijze jegens klager heeft uitgelaten of klager anderszins onheus heeft bejegend. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 26 maart 2025

in de zaak 25-095/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter (hierna: voorzitter) van de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 12 februari 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 en van de nagekomen brief met bijlage van klager van 21 februari 2025.

1. FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 In augustus 2023 heeft klager verweerder telefonisch benaderd met het verzoek hem bij te staan in een letselschadezaak. Verweerder heeft tijdens dit telefoongesprek tegen klager gezegd dat hij klagers zaak niet in behandeling wilde nemen. Verweerder heeft klagers zaak niet in behandeling genomen.

1.2 Op 27 augustus 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

 

2. KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder heeft onrechtmatig advies gegeven en onrechtmatig gehandeld. Verweerder heeft klager tijdens een telefoongesprek onheus bejegend en geïntimideerd. Verweerder heeft namelijk verkondigd dat “het ging om een ophoping die niks zou zijn” en dat klager het niet ernstig moest opvatten. Verweerder heeft verder gezegd dat hij de zaak niet zou overnemen, omdat hij er maar € 300,00 tot € 400,00 voor zou krijgen. Dit zijn kleinerende opmerkingen en dit is ondeugdelijk en onacceptabel.

 

3. VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4. BEOORDELING

4.1 De voorzitter stelt vast dat klager en verweerder weliswaar telefonisch met elkaar hebben gesproken, maar niet kan worden vastgesteld wat zij toen hebben besproken. Partijen twisten namelijk over de inhoud van het telefoongesprek en uit de stukken blijkt niet wat de inhoud van het gesprek is geweest. Verweerder heeft de verwijten van klager uitdrukkelijk betwist en de overgelegde stukken bevatten geen aanknopingspunten voor de juistheid van klagers verwijten. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat verweerder zich op intimiderende of kleinerende wijze jegens klager heeft uitgelaten of klager anderszins onheus heeft bejegend. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt is de klacht in zoverre kennelijk ongegrond.

4.2 Wel staat vast dat verweerder tegen klager heeft gezegd dat hij zijn zaak niet in behandeling wilde nemen. Een advocaat-cliëntrelatie is niet tot stand gekomen. Hiervan kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Een advocaat is namelijk niet verplicht om een opdracht te aanvaarden. Dat verweerder aan klager onrechtmatig advies heeft gegeven of onrechtmatig jegens klager heeft gehandeld is uitdrukkelijk door verweerder betwist en kan op basis van de overgelegde stukken ook niet worden vastgesteld.  Ook van dat onderdeel van de klacht ontbreekt de feitelijke grondslag.

4.3 De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. J.M.H.  Schoenmakers, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 26 maart 2025