Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-02-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:40

Zaaknummer

24-869/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Verweerster heeft als 5e opvolgend advocaat van klaagster in een erfrechtelijke procedure opgetreden. Naar het oordeel van de voorzitter is niet komen vast te staan dat verweerster klaagster daarbij heeft gemanipuleerd of onder druk heeft gezet. KLaagster heeft ingestemd met de door verweerster gevolgde strategie. De wijze van onttrekking als advocaat heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden met oog voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Klachten kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2025 in de zaak 24-869/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster 

over

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 25 november 2024 met kenmerk 2024 KNN028/2326975. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 12 januari 2025 van klaagster.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster is in een erfrechtelijke procedure gedagvaard. Verweerster heeft klaagster in die procedure vanaf 17 maart 2023 als (vijfde) opvolgend advocaat bijgestaan. De rechtbank heeft op verzoek van verweerster uitstel verleend voor het indienen van de conclusie van antwoord tot de rol van 4 april 2023.

1.2    In de ochtend van 31 maart 2023 heeft verweerster de conclusie van antwoord in concept aan klaagster gestuurd. Begin van die middag heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij alles rustig zou doornemen in het weekend en dat zij uiterlijk zondagavond inhoudelijk op het concept zou reageren. Op zondagavond 2 april 2023 heeft klaagster een door haar aangepaste conclusie van antwoord aan verweerster gestuurd. 

1.3    Verweerster heeft  op 3 april 2023 contact opgenomen met klaagster omdat zij niet bereid was de door klaagster aangepaste versie in te dienen. Na overleg met klaagster heeft verweerster diezelfde dag haar nieuwe versie van de conclusie van antwoord naar klaagster gestuurd. Na schriftelijk akkoord van klaagster heeft verweerster die versie van de conclusie op 4 april 2023 bij de rechtbank ingediend. Verweerster heeft namens klaagster bij akte 49 producties in het geding gebracht. 

1.4    Verweerster heeft op 9 november 2023 bij de rechtbank een B3-formulier ingediend en bij de toelichting op het formulier vermeld: [Klaagster] dient een akte in waarbij als productie 50 haar pleitaantekeningen voor de zitting d.d. 15.11.23 alvast bij Uw Rechtbank worden ingediend. 

1.5    Op 15 november 2023 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. De rechter heeft de vooraf toegezonden pleitaantekeningen met bijlagen van klaagster (productie 50) geaccepteerd en vermeld in het vonnis.

1.6    Op 17 januari 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Op dit vonnis stond geen "voor grosse" stempel. Evenmin was daarop vermeld binnen welke termijn hoger beroep kon worden ingesteld. Klaagster heeft verweerster verzocht om een nieuw en compleet vonnis bij de rechtbank op te vragen. 

1.7    Namens klaagster is op 29 februari 2024 een klacht bij het kantoor over verweerster ingediend. Ook heeft klaagster verweerster aansprakelijk gesteld wegens vermeende medeplichtigheid aan het afdekken van een mogelijke schuldwitwas-fraude die volgens klaagster speelt in de onderliggende zaak. Verweerster heeft daarop gereageerd in een e-mail van 1 maart 2024. Zij heeft daarin onder meer aan klaagster geschreven: Voor de goede orde: de gedragsregels zijn inderdaad leidend voor mij, of jullie dat nu prettig vinden of niet. Ik schrijf niks met ondertonen of aspiratieve moralen, ik probeer mijn werk zo goed mogelijk te doen - en ik beoog transparantie in de communicatie. [Klaagster’s] hoger beroep zal niet stranden op jullie aanname dat het vonnis niet compleet zou zijn, mogelijk wel op andere gronden, bijvoorbeeld omdat het Hof er toch anders in staat dan jullie.  Maar nogmaals: het staat jullie vrij de Rechtbank te bellen met de vraag of er een aanvulling op het vonnis kan worden vermeld over de wijze van hoger beroep. Ik vind het ook vervelend dat jullie kennelijk een website meer vertrouwen dan mijn ervaring. Als binnen drie maanden na dit vonnis hoger beroep is ingesteld, dan is dat in ieder geval geen reden om het hoger beroep af te wijzen of iets dergelijks, dat is echt klinkklare onzin. Nogmaals: het enige wat ik van jullie wil horen of jullie voldoende vertrouwen in mij hebben, binnen een week na heden. Zo niet, dan staat het jullie uiteraard vrij een andere advocaat te raadplegen. Zo lang jullie niet hebben uitgesproken dat jullie vertrouwen in mij hebben, kan ik het hoger beroep niet doen, dat begrijpen jullie ook wel. Ik ga er dus vanuit dat jullie een andere advocaat zoeken als jullie niet binnen een week na heden het vertrouwen in mij hebben uitgesproken. (…)

1.8    Op 4 maart 2024 heeft (de partner namens) klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

1.9    Op 7 maart 2024 heeft (de partner namens) klaagster gereageerd op de e-mail van verweerster van die dag met daarin de vraag of klaagster nog voldoende vertrouwen in het optreden van verweerster heeft. Namens klaagster is daarop aan verweerster gemeld dat bij verweerster als advocaat de verantwoordelijkheid ligt om die vraag te beantwoorden. 

1.10    In een e-mail van 11 maart 2024 heeft verweerster aan klaagster geschreven dat zij heeft geconstateerd dat klaagster geen vertrouwen in haar heeft uitgesproken zoals door haar verzocht. Zij heeft zich als advocaat onttrokken en klaagster verwezen naar een andere advocaat voor het tijdig instellen van eventueel hoger beroep. 

1.11    Klaagster heeft alsnog van de rechtbank een vonnis ontvangen waarop "in naam van de koning"' en “voor Grosse" en de beroepstermijn stonden vermeld.

 

2    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    een partijdige aspiratieve moraal toe te passen;  Toelichting: Volgens klaagster heeft verweerster, net als haar voorgangers, zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen en gehandeld volgens ‘de aspiratieve moraal’ door mee te doen aan het bedekt houden van de waarheid. Doordat advocaten de aspiratieve moraal moeten volgen worden zij tot ‘spagaat advocaten’ gemaakt. Verweerster heeft daarnaast partijdig samengewerkt met de wederpartij;

b)    klaagster te manipuleren en onnodig onder druk te zetten, waarmee zij de belangen van klaagster heeft ondermijnd;

Toelichting: Pas op 31 maart 2023 ontving klaagster van verweerster een eerste concept conclusie terwijl die al op 4 april 2023 bij de rechtbank moest worden ingediend. Klaagster was het geheel niet eens met de inhoud van dat concept en heeft haar opmerkingen in het weekend in die conclusie verwerkt en aan verweerster gestuurd. Verweerster was daar niet blij mee, heeft dat aan klaagster te kennen gegeven en de conclusie op 3 april 2023 minimaal aangepast. Hoewel klaagster niet tevreden was over de inhoud, is zij door de tijdsdruk daarmee akkoord gegaan;

c)    niet te handelen conform de door klaagster gewenste strategie en daardoor haar belang ernstig te schaden. Toelichting: Al voordat klaagster cliënte werd heeft zij op 5 maart 2023 verweerster schriftelijk ingelicht over haar wensen. Verder heeft zij verweerster duidelijke uitleg gegeven over de gewenste strategie om de 49 producties tijdig bij de rechtbank in te dienen. Ook heeft zij met verweerster afgesproken dat klaagster pleitaantekeningen zou opstellen die bewust door verweerster zouden worden ingediend nadat de termijn voor het overleggen van producties zou zijn verstreken. In strijd met de gemaakte afspraken en zonder overleg heeft verweerster geen toelichting bij de producties gegeven en de pleitaantekeningen van klaagster op 9 november 2023 niet als pleitaantekeningen maar als productie 50 bij de rechtbank ingediend. Daarmee heeft verweerster in strijd met de kennelijke wil van klaagster gehandeld. Verweerster had geen eigen pleitnota. Als verweerster de pleitaantekeningen van klaagster niet als zodanig wilde indienen, had zij daarover contact met klaagster moeten opnemen of zich op grond van gedragsregel 14 lid 2 moeten terugtrekken. Dat alles heeft verweerster niet gedaan. Alhoewel de rechter productie 50 tijdens de mondelinge behandeling heeft geaccepteerd en behandeld en die productie in het vonnis onder ‘procedure’ staat vermeld, heeft de rechter bij de inhoudelijke beoordeling daar niets mee gedaan maar ‘uitgewist als niet bestaand’. Dat is het gevolg van het door verweerster gebruikte onjuiste B3-formulier in plaats van het B16-formulier. Verweerster wist dat dit het gevolg van haar handelen zou kunnen zijn en heeft klaagster misleid. Dit alles toont volgens klaagster de manipulatie van de regels die boven de wet zijn en worden gesteld hetgeen resulteert in een ondemocratische onrechtstaat;

d)    in strijd met gedragsregel 14 te handelen door zich niet terug te trekken als advocaat, terwijl er tussen klaagster en verweerster verschil van mening bestond over de wijze waarop verweerster de opdracht diende uit te voeren. Toelichting: Het was volgens klaagster de verantwoordelijkheid van verweerster om een beslissing te nemen over de vraag of zij in hoger beroep nog voor klaagster kon optreden. Die beslissing kon zij niet op klaagster afschuiven. 

 

3    VERWEER

3.1    Volgens verweerster is een deel van de verwijten onnavolgbaar zodat zij zich daartegen niet kan verweren. Verder herkent zij zich niet in het beeld dat door klaagster en haar partner wordt geschetst en betwist zij dat het zo is gegaan. 

3.2    Op 17 maart 2023 is zij begonnen als vijfde opvolgend advocaat van klaagster. De termijn voor indienen van de conclusie van antwoord verliep bijna en is desgevraagd door de rechtbank aangehouden tot 4 april 2023. Op vrijdagochtend 31 maart 2023 om 8.41 uur heeft zij een eerste concept aan klaagster gestuurd, waarop klaagster om 12.10 uur liet weten tijd nodig te hebben. Op zondagavond 2 april 2023 ontving verweerster een zodanig aangepaste conclusie van klaagster dat zij daarmee niet kon instemmen. Dat heeft zij op maandag 3 april 2023 zowel telefonisch als per mail aan klaagster laten weten. Toen is ook besproken dat de inkleuring van het betoog van klaagster later kon bij het indienen van een akte met de 49 producties. Om 17.29 uur heeft klaagster met die conclusie en voorgestelde werkwijze ingestemd waarna verweerster de conclusie tijdig op 4 april 2023 heeft ingediend. Van druk of dwang of misleiding van klaagster was geen sprake.

3.3    Alle stukken zijn op juiste wijze en tijdig door haar bij de rechtbank ingediend en door de rechter ter zitting behandeld. De behandelend rechter heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij alle stukken inclusief de pleitaantekeningen met vele bijlagen van klaagster in zijn geheel had gelezen. Klaagster bevestigt deze gang van zaken. Verweerster weet niet wat daarmee verkeerd is gegaan, althans waarom zij zich daarmee ondermijnend zou hebben gedragen. De zitting verliep naar wens van klaagster en echtgenoot, zoals zij daarna en in telefoongesprekken aan verweerster hebben bevestigd. 

3.4    Nadat vonnis was gewezen heeft verweerster klaagster gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep en haar op de risico's gewezen. Klaagster eiste dat verweerster een nieuw en compleet vonnis op zou vragen omdat in het vonnis niet goed genoeg werd aangegeven hoe zij in hoger beroep kon gaan. Verweerster heeft telefonisch en schriftelijk uitgelegd dat het niet zo werkt. Daar konden klaagster en haar echtgenoot geen genoegen mee nemen. Vanaf begin 2024 was sprake van een grimmige en boze toonzetting van de kant van klaagster. In reactie daarop heeft verweerster op 16 februari 2024 aan klaagster een e-mail met uitleg geschreven en daarin de vraag aan de orde gesteld of klaagster nog voldoende vertrouwen in haar had. Omdat klaagster daar niet op reageerde, heeft verweerster zelf besloten om de opdracht wegens een vertrouwensbreuk neer te leggen. 

 

4    BEOORDELING

Maatstaf

4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 

4.3    De voorzitter toetst of verweerster heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Klachtonderdeel a)

4.4    De voorzitter stelt voorop dat het aan de klagende partij is om een begin van een onderbouwing te geven van de verwijten die deze maakt aan het adres van de verwerend advocaat. Het enkel poneren van verwijten of overleggen van vele stukken zonder concrete uitleg is onvoldoende, zeker als het gaat om specifieke verwijten die zien op een gebrek aan kwaliteit van de dienstverlening. Eerst wanneer een begin van onderbouwing is geleverd door de klagende partij, is het voor de verwerend advocaat mogelijk om gemotiveerd verweer te voeren en de betwisting eventueel met stukken te onderbouwen. 

4.5    Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster met het onder a) gemaakte verwijt niet voldaan aan deze verplichting. Daarom kan de voorzitter niet vaststellen in welke zin daarvan aan verweerster een verwijt kan worden gemaakt. Nu een feitelijke grondslag ontbreekt, zal de voorzitter klachtonderdeel a) dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

4.6    De juistheid van het verwijt van klaagster, dat verweerster haar heeft gemanipuleerd en onnodig onder druk heeft gezet, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster niet komen vast te staan. Daar komt bij dat klaagster er zelf voor heeft gekozen om verweerster op een laat moment in de al lopende procedure in te schakelen, namelijk pas op 17 maart 2023. Verweerster heeft daarna uitstel voor indiening van de conclusie van antwoord voor klaagster bewerkstelligd tot 4 april 2023. In de tussenliggende tijd heeft verweerster de tijd nodig gehad om zich in te lezen in het dossier en een concept op te stellen. Dat heeft zij naar het oordeel van de voorzitter in de beperkte tijd voortvarend genoeg gedaan. Ook heeft zij klaagster daarbij voldoende betrokken en de gelegenheid gegeven om haar visie op de concept conclusie te geven. Uit de stukken volgt dat klaagster met de aangepaste conclusie heeft ingestemd, die daarna door verweerster tijdig is ingediend. Dat verweerster met haar handelen op enigerlei wijze de belangen van klaagster heeft ondermijnd is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. 

4.7    Op grond hiervan is de voorzitter van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Daarom zal ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel c)

4.8    De voorzitter stelt voorop dat verweerster de opdracht om aan klaagster rechtsbijstand te verlenen in de erfrechtelijke procedure heeft aanvaard. Klaagster heeft haar wensen over de gewenste strategie op verschillende momenten kenbaar gemaakt aan verweerster. Dat maakt echter niet dat verweerster verplicht was om die strategie ook te volgen. Verweerster is als advocaat ‘dominus litis’, wat betekent dat verweerster geacht wordt bij haar rechtsbijstand zelfstandig en onafhankelijk te bepalen met welke vorm van rechtsbijstand de belangen van haar cliënte het meest gediend zijn en welke processtrategie daarbij past. Vanzelfsprekend dient de advocaat hierover zorgvuldig en voldoende te communiceren met de cliënt en bij de bepaling van de processtrategie de zorgvuldigheid in acht te nemen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. 

4.9    Dat verweerster hierin zou zijn tekortgeschoten en de belangen van klaagster heeft geschaad is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Klaagster heeft ingestemd met de door verweerster - na overleg en met instemming - aangepaste conclusie van antwoord en ook met voorgestelde werkwijze om op een later moment alsnog bij akte 49 producties te overleggen. Ook de pleitaantekeningen met bijlagen van klaagster zijn door verweerster als productie 50 onder de aandacht van de rechter gebracht en zijn tijdens de zitting in aanwezigheid van klaagster ook besproken en door de rechter toegestaan. Of de rechter die productie al dan niet in zijn oordeelsvorming betrekt, ligt buiten de invloedsfeer van verweerster. Klaagster kon haar mening daarover aan de orde stellen door hoger beroep tegen het vonnis in te stellen. De voorzitter merkt nog op dat verweerster volgens de geldende procesregels de pleitaantekeningen van klaagster vooraf alleen als productie in het geding kon brengen. Het begrip pleitaantekeningen is in zaken bij de rechtbank voorbehouden aan tijdens een zitting voorgedragen aantekeningen van een advocaat. 

4.10    Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster heeft gehandeld conform de professionele standaard die geldt binnen de beroepsgroep. Tuchtrechtelijk treft haar dan ook geen verwijt. Klachtonderdeel c) wordt eveneens kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel d)

4.11    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster hierin niet onzorgvuldig richting klaagster gehandeld. Klaagster heeft immers duidelijk aan verweerster kenbaar gemaakt dat zij twijfels had over de juistheid van de door verweerster gekozen strategie. Naar aanleiding daarvan stond het verweerster vrij om klaagster te vragen of zij nog wel voldoende vertrouwen in haar als advocaat had. Nadat een antwoord op die redelijke vraag uitbleef, kon verweerster niet anders dan zich wegens een onoverbrugbaar meningsverschil met klaagster over de te volgen strategie, als advocaat terugtrekken. Verweerster heeft dit naar het oordeel van de voorzitter ook op zorgvuldige wijze gedaan met oog voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. 

4.12    Nu aldus niet van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is gebleken, zal ook klachtonderdeel d) kennelijk ongegrond worden verklaard. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2025.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 10 februari 2025