Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-11-2024

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2024:279

Zaaknummer

240199

Inhoudsindicatie

Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De bijstand die klaagster wenst hoeft niet te worden verleend door een advocaat. 

Uitspraak

Beslissing van 8 november 2024 in de zaak 240199      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:       

klager      tegen:

de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 31 mei 2024. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat bijstand van een advocaat voor de kwestie niet noodzakelijk is, dat klager zelf juridische bijstand kan zoeken en dat die bijstand ook verleend kan worden door een jurist. 

Bij het hof 1.3    Klager heeft bij brief van 10 juli 2024, door het hof ontvangen op 11 juli 2024, een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier het verweer van de deken. Klager heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om repliek in te dienen. 

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 27 september 2022 heeft klager bij de politie aangifte gedaan van mishandeling door beveiligers van de gemeente. Naar aanleiding van de aangifte is geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld. 

2.2    Op 21 mei 2024 heeft klager de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat die hem als slachtoffer/benadeelde partij zou kunnen bijstaan. 

 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klager is het met de beslissing van de deken niet eens. Klager stelt dat alle instanties, waaronder de deken, weigeren te helpen. Klager wil in staat worden gesteld “om gebruik te maken van zijn recht om voor de rechtbank te verschijnen en bewijs van een misdrijf te overleggen”. 

Verweer 3.2    Volgens de deken biedt artikel 13 Advocatenwet in de onderhavige kwestie niet de mogelijkheid om een advocaat aan te wijzen. 

3.3    De deken heeft aangevoerd dat geen advocatenbijstand is vereist in het geval een slachtoffer zich erover beklaagt dat zijn zaak niet wordt vervolgd (beklagprocedure artikel 12 Wetboek van strafvordering). Voor de uitoefening van overige slachtofferrechten, zoals het inzien van stukken of het indienen van een vordering benadeelde partij, is bijstand van een advocaat ook niet nodig. Dit betekent dat klager zich voor de onderhavige kwestie kan laten bijstaan door een schriftelijke gemachtigde die geen advocaat is. Uit het beklag blijkt volgens de deken niet dat klager bijstand wenst voor iets anders dan de strafzaak waarin klager benadeelde partij stelt te zijn. 

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Het hof is met de deken van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat de bijstand die klager wenst wordt verleend door een advocaat. Naar het oordeel van het hof is het verzoek om een advocaat aan te wijzen daarom terecht afgewezen. Het beklag is ongegrond. 

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 31 mei 2024 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. A.J.J. van Rijen en R.H. Broekhuijsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2024.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 8 november 2024.