Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-09-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2024:150

Zaaknummer

24-103/DH/RO

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil gegrond. Verweerder heeft een betalingstermijn van 2 dagen gehanteerd. Hij heeft zijn eigen belang laten prevaleren, terwijl hij zich de-escalerend had moeten opstellen en (verdere) polarisatie diende te voorkomen. Verweerder heeft in een eerdere  tuchtrechtelijke procedure toegezegd dat hij in de toekomst zorgvuldiger zou afwegen of een minder polariserende toonzetting aangewezen zou zijn. Die toezegging heeft hij geschonden. Berisping. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 september 2024 in de zaak 24-103/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 12 oktober 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 13 februari 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/16 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juli 2024. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 17 juni 2024 - en dus tijdig - nagezonden stukken.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Verweerder heeft de ex-vrouw van klager bijgestaan in een aantal familierechtelijke geschillen.  2.3    Naar aanleiding van uitlatingen van verweerder in een tussen klager en zijn ex-vrouw in 2022 gevoerde kort geding procedure van familierechtelijke aard, heeft klager op 31 augustus 2022 een klacht over verweerder ingediend bij de deken. De raad van discipline heeft deze klacht op 17 juli 2023 deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Uit deze beslissing blijkt dat verweerder ter zitting van de raad van 5 juni 2023 heeft toegezegd dat hij in de toekomst zorgvuldiger zal afwegen of een minder polariserende toonzetting aangewezen is. De raad heeft daarom afgezien van het opleggen van een maatregel (ECLI:NL:TADRSGR:2023:145). Klager heeft tegen deze beslissing van de raad hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft op 5 april 2024 de beslissing van de raad bekrachtigd (ECLI:NL:TAHVD:2024:111).  2.4    In het kader van een ander tussen klager en zijn ex-vrouw bestaand familierechtelijk geschil heeft op 18 september 2023 een zitting in kort geding met zaak- / rekestnummer C/10/665014 / KG ZA 23-800 plaatsgevonden. Klager was op deze zitting aanwezig en werd bijgestaan door mr. K, aan wie zijn rechtsbijstandsverzekeraar DAS de zaak had uitbesteed.  2.5    Tijdens de zitting van 18 september 2023 heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan, daarbij onder meer klager in de proceskosten veroordeeld en het vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Deze mondelinge uitspraak is vastgelegd in een nadien aan partijen toegezonden proces-verbaal van de zitting.   2.6    Op 3 oktober 2023 heeft verweerder per e-mail aan mr. K een voor klager bestemde factuur met nummer 823188 gezonden ter zake de ‘Proceskostenveroordeling C/10/665014 kort geding 23-800’ en daarbij een betaaltermijn van twee dagen gehanteerd. 2.7    Mr. K heeft verweerder per e-mail van 4 oktober 2023 bericht de betaaltermijn wat kort te vinden en de factuur te zullen doorgeleiden aan DAS die voor betaling zou zorgdragen, hetgeen doorgaans een week of twee duurt. Daarbij heeft zij opgemerkt ervan uit te gaan dat verweerder de betaling zou afwachten. De e-mail vermeldt verder dat mr. K van 20 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 wegens vakantie afwezig is.  2.8    Verweerder heeft diezelfde dag in een email aan mr. K als volgt gereageerd:  “U lijkt een termijn van twee dagen wat kort. Ik vind van niet. Meneer heeft immers zestien dagen geleden al gehoord dat hij in de proceskosten is veroordeeld en heeft al die tijd de gelegenheid gehad om ervoor te zorgen dat hij die kosten aan mij kan betalen, waaronder een mededeling aan zijn verzekeringsmaatschappij. Voor uw cliënt is het fijn dat hij kennelijk ook tegen dit soort zaken is verzekerd. Het is echter meneer die in de proceskosten is veroordeeld vanwege misbruik maken van procesrecht en ouderlijk gezag en niet zijn verzekeringsmaatschappij. Ik heb er dan ook niets mee te maken dat hij de proceskosten kennelijk kan declareren bij zijn verzekeringsmaatschappij. Het betreft hem persoonlijk. [Klager] is verplicht om aan mij te betalen. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Indien ik de betaling niet uiterlijk donderdag 5 oktober 2023 op mijn rekening heb staan zal ik de volgende dag de gerechtsdeurwaarder inschakelen ter incasso. De kosten van de deurwaarder zijn voor [klager], ook als hij mij op vrijdag 6 oktober 2023 of kort daarna alsnog betaalt.” 2.9    Vanwege de vakantie van mr. K heeft klager op 4 oktober 2023 te 21.50 uur zelf hierop gereageerd, hem om zijn bankrekeningnummer gevraagd en aangekondigd de kwestie aan de deken voor te leggen.  2.10    Per e-mail van 5 oktober 2023 te 15.34 uur heeft verweerder zijn bankrekeningnummer aan klager doorgegeven.  2.11    Vanwege de dreiging met executiemaatregelen heeft klager de factuur diezelfde avond voldaan, verweerder daar bewijs van gestuurd en hem nogmaals medegedeeld de kwestie aan de deken te zullen voorleggen.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet door een (absurd korte) betalingstermijn van twee dagen te hanteren en te dreigen met executiemaatregelen, terwijl hij wist dat de advocaat van klager op vakantie was. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING 5.1    De klacht betreft het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij. De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.2    In familierechtelijke kwesties, als de onderhavige, zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Een advocaat moet in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. 5.3    Van misbruik van klachtrecht, zoals verweerder heeft gesteld, is naar het oordeel van de raad geen sprake. De raad zal het door klager aan verweerder gemaakte verwijt aan de hand van bovenstaande maatstaf beoordelen. 5.4    In de eerste plaats is de raad van oordeel dat het belang van de cliënte van verweerder er niet toe noopte om een betalingstermijn van twee dagen te stellen. Verweerder heeft in zijn dupliek in het kader van deze klachtprocedure het volgende vermeld:  “Het doel van het zenden van de factuur was dat de klager die factuur zou betalen. Met de belangen van mijn cliënte heeft het minder te maken. Mijn belang was dat de factuur betaald werd en wel zo snel mogelijk.”      Verweerder heeft ter zitting van de raad toegelicht dat de snelle betalingstermijn (ook) in het belang van zijn cliënte was, maar hij heeft dat niet willen of kunnen toelichten.       De raad concludeert dan ook dat voornamelijk (alleen) verweerder zelf een belang had bij een dergelijke snelle betaling. Dat eigen belang heeft verweerder naar het oordeel van de raad ten onrechte laten prevaleren boven andere belangen, zoals die van zijn cliënte en klager vanwege het feit dat de onderlinge verhoudingen al geruime tijd onder grote druk stonden. Onder die omstandigheden mag van verweerder worden verwacht dat hij zich de-escalerend zou opstellen en (verdere) polarisatie zou proberen te voorkomen. Met zijn opstelling inzake de betaling(stermijn) van de proceskosten, gevolgd door de vermelding dat hij een deurwaarder zou inschakelen indien niet binnen twee dagen zou worden betaald, heeft hij juist het tegenovergestelde gedaan.   5.5    In de tweede plaats acht de raad de door verweerder gestelde betalingstermijn van twee dagen als zodanig ook niet redelijk. Verweerder heeft die korte termijn toegelicht met de stelling dat klager al sinds de zitting van 18 september 2023 ervan op de hoogte was dat hij deze kosten zou moeten betalen en dat hij daartoe op eigen initiatief had moeten overgaan. De raad volgt verweerder daarin niet. Wanneer verweerder eerder betaling van de proceskosten had willen hebben, had hij daar eerder om moeten verzoeken (al dan niet door toezending van een factuur). Dat heeft hij nagelaten. De veroordeling door de voorzieningenrechter in de proceskosten houdt ook geen verdere informatie in, zoals het rekeningnummer, de tenaamstelling van de rekening en de betaaltermijn.   5.6    De vergelijking van verweerder met de termijn van twee dagen die deurwaarders hanteren voor betalingsbevelen gaat naar het oordeel van de raad niet op. De deurwaarder komt immers pas in beeld wanneer vrijwillige betaling binnen een gestelde, redelijke termijn uitblijft. Dat was hier niet het geval.  5.7    Bovendien was verweerder ervan op de hoogte dat de advocaat van klager op vakantie was en was hem reeds betaling door DAS toegezegd. Met andere woorden, hij hoefde niet te vrezen dat zijn factuur onbetaald zou worden gelaten. Dat de proceskostenveroordeling niet ten laste van DAS maar ten laste van klager was uitgesproken, maakt dat niet anders.  5.8    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht gegrond zal verklaren. 

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft met zijn opstelling jegens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De aard en ernst van dit gegronde tuchtrechtelijke verwijt rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Daarbij houdt de raad naast de specifieke omstandigheden van deze klachtzaak ook rekening met het feit dat een en ander zich in het kader van een familierechtelijk geschil heeft afgespeeld. Verder houdt de raad rekening met het feit dat aan verweerder weliswaar niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, maar ook met het feit dat een eerder gedane klacht door dezelfde klager in een samenhangende procedure tegen de cliënte van verweerder voor een deel gegrond is verklaard en dat verweerder zijn ter zitting van de raad van 5 juni 2023 gedane toezegging heeft geschonden. Ter zitting heeft verweerder er geen blijk van gegeven het verkeerde van zijn handelen in te zien. In zijn nadeel heeft de raad eveneens meegenomen dat verweerder op vragen van de raad veelal ontwijkend antwoordde en daardoor geen openheid van zaken gaf. De raad ziet op grond hiervan, met name de ernst van de verweten gedraging, aanleiding om aan verweerder een berisping op te leggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerder op grond van artikel 46e lid 5 van de Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 van de Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder dient het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, te betalen aan klager. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.  7.4    Verweerder dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van berisping op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd, N. de Boer, A.B. Baumgarten en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2024.