Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

14-06-2024

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2024:163

Zaaknummer

240117

Inhoudsindicatie

Beklag ex artikel 13 Aw ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 14 juni 2024 in de zaak 240117      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    klaagster

     tegen:

 

de deken

 

1    DE PROCEDURE 

 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 april 2024. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd ontbreekt om klaagster in de gelegenheid te stellen het verzoek nader te onderbouwen (in het verzoek van 2 april 2024 heeft klaagster gemeld dat haar in een civiele procedure een termijn tot 3 april 2024 is gegeven om een advocaat te zoeken). Klaagster heeft bovendien onvoldoende informatie gegeven over de procedure waarvoor zij een advocaat zoekt, de deken kan niet vaststellen dat klaagster zich voldoende heeft ingespannen zelf een advocaat te vinden, er is geen tijd meer voor een advocaat om zich in te lezen en klaagster heeft aangegeven dat zij de eigen bijdrage niet kan betalen. 

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 11 april 2024 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verzoek van de griffie aan klaagster van 12 april 2024 om haar bezwaren tegen de beslissing van de deken kort toe te lichten; -    vier e-mails van klaagster van 12 en 13 april 2024; -    het verweer van de deken van 24 april 2024; -    de e-mail van klaagster van 7 mei 2024; -    vier e-mails van klaagster van 8 mei 2024; -    de e-mail van klaagster van 9 mei 2024 met bijlagen; -    de op 13 mei 2024 ontvangen brief van klaagster met bijlagen; -    de e-mail van de deken van 13 mei 2024; -    de op 23 mei 2024 ontvangen brief van klaagster met bijlagen.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.  

 

2    FEITEN

 

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Bij vonnis van 19 mei 1989 is de echtscheiding tussen klaagster en haar ex-echtgenoot uitgesproken. Het vonnis is op 30 juni 1989 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 

2.2    Op 20 december 2017 hebben klaagster en haar ex-echtgenoot een overeenkomst gesloten “inzake de verdeling van “overgeslagen goed” van de huwelijksgemeenschap tussen partijen in 1989”. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat klaagster de (op dat moment lopende) juridische procedure beëindigt tegen ontvangst van een bedrag ad € 5.000,- en dat partijen daarna niets meer van elkaar te vorderen hebben, met uitzondering van wat zij terzake pensioenrechten zijn overeengekomen. 

2.3    Op 19 december 2022 heeft klaagster haar ex-echtgenoot en haar dochter gedagvaard in een bodemprocedure tegen 19 april 2023. Klaagster werd toen bijgestaan door mr. B. Voor zover uit de - gedeeltelijk door klaagster overgelegde - dagvaarding blijkt, stelt klaagster dat zij op 20 december 2017 door haar dochter onder druk is gezet en bedreigd om de overeenkomst te ondertekenen. Klaagster was vanwege haar psychische stoornissen niet tegen die druk bestand. Zij meent dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden en/of dwaling. Zij vraagt een verklaring voor recht dat haar ex-echtgenoot en haar dochter onrechtmatig hebben gehandeld en vernietiging van de overeenkomst. 

2.4    Mr. B is kort na het aanbrengen van de dagvaarding overleden. Klaagster heeft daarna een andere advocaat bereid gevonden haar bij te staan. Bij e-mail van 5 oktober 2023 heeft de roladministratie van de rechtbank klaagster bericht als volgt: “Zoals u weet kunt u in deze zaak alleen door tussenkomst van uw advocaat procederen.  [Naam advocaat] heeft de rechtbank verzocht de zaak 6 maanden aan te houden, omdat u zich nog op het voortzetten van de procedure wilt beraden.  Dat verzoek is ingewilligd. De zaak is voorlopig aangehouden tot 3 april 2024. (…) U geeft aan dat u wilt worden vertegenwoordigd door een andere advocaat. Dit moet u met [naam advocaat] bepreken, of met de Raad voor Rechtsbijstand, dan wel het Juridisch Loket. De rechtbank heeft daarin geen rol. (…)

3    BEKLAG EN VERWEER

 

Gronden van het beklag 3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat klaagster wel op tijd was met haar verzoek. De Orde had duidelijker moeten aangeven wat er aan het begin van de aanwijzing expliciet betaald moet worden. 

3.2    Het hof begrijpt uit hetgeen klaagster verder heeft aangevoerd dat een in 1990 door een notaris opgesteld convenant nooit is ondertekend. Kennelijk is over de boedelscheiding onenigheid tussen klaagster en haar ex-echtgenoot blijven bestaan. Daarnaast waren er ook alimentatieperikelen. In 2017 heeft klaagster een boedelscheidingsprocedure gestart. Tijdens die procedure heeft op aanwijzing van de rechtbank mediation plaatsgevonden. Klaagster heeft de mediation na het eerste gesprek beëindigd, omdat de mediator de zaak niet goed had voorbereid. Klaagster heeft daarvan verslag gedaan aan haar advocaat, maar die heeft daar nooit op gereageerd. Klaagsters ex-echtgenoot en haar dochter hebben op 20 december 2017 een overeenkomst afgedwongen, waarna de procedure bij de rechtbank is doorgehaald. Verder stelt klaagster dat zij op 10 oktober 2020 door bijzondere interventies van een bevriende sjamaan heeft vastgesteld dat haar ex-echtgenoot over zijn verschillende bedrijven had gelogen en zaken had verzwegen. De boedelscheiding was niet voltooid en klaagster heeft een advocaat gezocht om haar daarin verder bij te staan. 

3.3    Klaagster voert verder aan dat in 2021 16 advocaten door de coronacrisis geen tijd hadden voor deze zaak. De deken heeft ook geen advocaat aangewezen. De advocaat die klaagster uiteindelijk vond en een dagvaarding heeft uitgebracht, overleed. Klaagster heeft in 2023 wel een opvolger voor die advocaat gevonden, maar die wist niet door te pakken en klaagster heeft haar medewerking opgezegd. Er is nog een tweede mediation geweest, maar ook de mediator wist niet door te pakken. Klaagsters ex-echtgenoot heeft geen informatie gegeven over zijn vermogen en een karig voorstel gedaan. Dat heeft klaagster afgewezen. Daarna heeft klaagster nog weer 10 tot 12 advocaten benaderd. Die waren om verschillende redenen allemaal niet beschikbaar.

Verweer 3.4    De deken heeft aangevoerd dat het beklag op goede gronden is afgewezen. Hij wijst er ten overvloede op dat klaagster eerder (twee keer in 2021 en een keer in 2023) verzoeken tot aanwijzing van een advocaat heeft ingediend en dat zij ook daarom op de hoogte was van de vereisten waaraan zo’n verzoek moet voldoen. 

 

4    BEOORDELING

 

Toetsingskader 4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Overwegingen van het hof 4.2    De deken heeft het verzoek van klaagster op goede gronden afgewezen, omdat het te laat was om een advocaat nog de gelegenheid te geven zich in de zaak te verdiepen. Bovendien ontbrak voldoende informatie voor de deken om te kunnen beoordelen of in deze zaak aan de vereisten voor toewijzing van een advocaat was voldaan. 

4.3    Maar ook als de rechtbank de zaak nog een keer heeft aangehouden, is het oordeel van het hof dat het beklag ongegrond is. Uit het relaas van klaagster blijkt dat zij door de jaren heen steeds advocaten heeft gevonden, die bereid waren haar bij te staan. Ook in 2023 heeft klaagster nog een advocaat bereid gevonden haar bij te staan nadat haar vorige advocaat was overleden. Zij had dus een advocaat voor het afronden van de lopende procedure en kennelijk is er in die periode ook nog een mediator ingeschakeld geweest. Uit de stelling van klaagster dat deze advocaat (net als de mediator) ‘niet wist door te pakken’, maakt het hof op dat zij met de advocaat van mening verschilde over de aanpak van de zaak. Dat is echter onvoldoende voor aanwijzing van een andere advocaat. Voor de vraag of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet is immers niet beslissend of klaagster een advocaat kan vinden die bereid is te doen wat klaagster van die advocaat verlangt (zie HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202). Tot slot zijn er ook onvoldoende aanknopingspunten voor de deken om te kunnen oordelen dat de zaak een redelijke kans van slagen heeft. Al met al kan het beklag niet slagen. 

 

5    BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 2 april 2024 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond. 

Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.

                                                              griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 14 juni 2024.