Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

06-06-2016

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2016:127

Zaaknummer

16-024/A/A

Inhoudsindicatie

Ongegrond verzet

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 6 juni 2016

in de zaak 16-024/A/A

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 4 februari 2016 op de klacht van:

klaagster

tegen:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 7 september 2015 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: “de deken”) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Bij brief aan de raad van 14 januari 2016 met kenmerk 4015-0612, door de raad ontvangen op 15 januari 2016, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 Bij beslissing van 4 februari 2016 heeft de voorzitter van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 4 februari 2016 is verzonden aan klaagster.

1.4 Bij brief van 10 februari 2016, door de raad ontvangen op 3 maart 2016, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5 Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 11 april 2016 in aanwezigheid van klaagster en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop de beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven, alsmede van het verzetschrift van klager van 10 februari 2016.

2 FEITEN EN KLACHT

2.1 Voor een weergave van de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Tegen die weergave komt klager in verzet niet op.

3 VERZET

3.1 De gronden van het verzet komen neer op een herhaling van de klacht met een verzoek om herbeoordeling.

4 BEOORDELING

4.1 De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en voorts acht heeft geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de raad kunnen de door klaagster aangevoerde gronden niet slagen en heeft de voorzitter de klacht terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden. De raad overweegt hierbij nog dat de advocaat van NLS, mr. H., bij brief van 27 augustus 2015 een kopie van de vaststellingsovereenkomst aan de rechtbank heeft gezonden, met een kopie aan de (toenmalige) advocaat van klaagster, mr. W. Klaagster heeft ter zitting niet weersproken dat mr. W, anders dan verweerder, een link heeft met de schuldeiser die ten laste van klaagster beslag heeft gelegd. Aannemelijk is derhalve dat de beslagleggende crediteur via mr. W. op de hoogte is geraakt van de betaling door NLS aan klaagster. Dat zulks via verweerder door schending van zijn geheimhoudingsplicht zou zijn gebeurd is dan ook niet onderbouwd door klaagster.

4.2 Nu het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

 verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. C.C. Oberman en M.W. Schüller, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni 2016.

Griffier Voorzitter

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 6 juni 2016

verzonden aan:

- klaagster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam..

Op grond van artikel 46h lid 7 Advocatenwet kan van deze beslissing geen hoger beroep worden ingesteld.