Naar boven ↑

Update

Nummer 6, 2025
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.

Selectie uitspraken door de NOvA

ECLI:NL:TADRAMS:2024:120: Dekenbezwaar. Raad formuleert uitgangspunten die het aannemen van contante betalingen rechtvaardigen
Dekenbezwaar. Uit onderzoek is gebleken dat verweerder contante betalingen heeft ontvangen van klanten waarvan een deel € 5.000 of meer betrof. Het dekenbezwaar houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door deze contante betalingen aan te nemen zonder dat sprake was van gerechtvaardigde feiten en omstandigheden (art. 6.27 lid 2 Voda) en zonder overleg te plegen met de deken voorafgaand aan het aanvaarden van betalingen van € 5.000, of meer (art. 6.27 lid 3 Voda).

De raad heeft gelet op het bepaalde in artikel 6.27 Voda de volgende uitgangspunten geformuleerd:
(1) De overlegplicht geldt vanaf € 5.000 en niet pas bij bedragen daarboven (zie ook Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch 20 november 2017, ECLI:NL:TADRSHE:2017:196).
(2) Advocaten dienen hun onderzoek naar de feiten of omstandigheden die het aanvaarden van contante betalingen rechtvaardigen goed vast te leggen. Uit die vastlegging moet blijken dat een advocaat zelf onderzoek heeft gedaan naar de (on)mogelijkheid van zijn cliënt om hem giraal te betalen en dat hij niet enkel is afgegaan op de mededeling van zijn cliënt dat giraal betalen niet mogelijk is. Bij twijfel is overleg met de deken ook bij lagere bedragen aan te raden.
(3) Een contante betaling is alleen gerechtvaardigd bij een feitelijke belemmering voor girale betaling; angst voor traceerbaarheid volstaat niet.

ECLI:NL:TADRAMS:2024:121: nalaten inschrijven echtscheidingsbeschikking door advocaat wederpartij betreft geen verwijtbaar handelen
Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerster verwijtbaar te hebben gehandeld door na te laten de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in te schrijven. Hierdoor moest de gehele echtscheidingsprocedure opnieuw gevoerd worden. Nu verweerster namens zijn ex-echtgenote de echtscheiding had aangevraagd, was het ook haar verantwoordelijkheid de beschikking in te schrijven.

Naar het oordeel van de raad falen de klachtonderdelen. Verweerster behartigde in de echtscheidingsprocedure de belangen van de ex-echtgenote. De belangen van klager werden op dat moment behartigd door zijn advocaat. Zowel verweerster als de advocaat van klager droeg naar zijn eigen cliënt toe de verantwoordelijkheid voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Klager stelt ten onrechte dat de advocaat die de echtscheidingsprocedure start ook degene is die zorgt voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Er bestaat geen wettelijke regel op grond waarvan advocaten verplicht zijn om de echtscheidingsbeschikking in te laten schrijven als zij namens een cliënt een echtscheidingsprocedure zijn gestart (zie ook Raad van Discipline ’s-Gravenhage 24 mei 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:111). Het feit dat verweerster heeft nagelaten de echtscheidingsbeschikking in te schrijven betreft derhalve geen verwijtbaar handelen jegens klager.

ECLI:NL:TADRAMS:2024:128: verrichten procedurele handeling terwijl zaak reeds voor uitspraak staat en het verstrekken van onjuiste informatie aan de rechter levert een waarschuwing op
Klacht over advocaat van de wederpartij. In deze zaak wordt verweerder onder meer verweten zich tot de rechter te hebben gewend nadat in de zaak vonnis was bepaald en daarnaast incorrecte informatie aan de rechter te hebben verstrekt.

De raad stelt vast dat verweerder een incidentele conclusie oproeping in vrijwaring aan de rechtbank heeft gestuurd. Vervolgens heeft de rechtbank verweerder gewezen op een ontbrekend voegingsformulier. Verweerder heeft hierover aan de rechtbank bericht dat sprake was van een misverstand en dat hij geen conclusie tot voeging heeft ingediend. In ditzelfde bericht heeft verweerder tevens enkele inhoudelijke punten over de zaak naar voren gebracht, ondanks dat deze al voor vonnis stond. Zijn verweer dat hij dit niet wist, komt voor zijn rekening. Ook zijn verwijzing naar vergelijkbaar handelen door klager is niet relevant. Omdat verweerder in zijn reactie verder ging dan enkel de voegingskwestie en inhoudelijk op de zaak inging, oordeelt de raad dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar “napleiten” (gedragsregel 21 lid 3).

Daarnaast oordeelt de raad dat verweerder feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan hij wist of had behoren te weten dat die onjuist was. Hiermee heeft verweerder gedragsregel 8 geschonden. De raad acht alles overziend de maatregel van een waarschuwing passend.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

3. Advocaat wederpartij