Naar boven ↑

Update

Nummer 14, 2024
Uitspraken van 24 juni 2024 tot 9 juli 2024

Hierbij ontvangt u de Nieuwsbrief NOvA Tuchtrecht Updates, een langere editie waarin zeven uitspraken zijn opgenomen. In de komende periode zal er geen nieuwsbrief verschijnen. Wij wensen u een goede zomer en op donderdag 29 augustus zal nummer 15 verschijnen.

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.

Selectie uitspraken door de NOvA

ECLI:NL:TADRARL:2024:81: Tegenstrijdige belangen: het blijft altijd lastig met een VvE, de raad geeft uitleg

Klaagster verwijt verweerder op te treden namens zowel B BV als de VvE en daarbij de tegengestelde belangen van klaagster te miskennen. Het is vaste rechtspraak van het hof van discipline dat een advocaat zich dient te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid die partijen bij de uitoefening van hun beroep in acht moeten nemen.

De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

Waar gedragsregel 15 ziet op een conflicterende belangenbehartiging van (voormalige) cliënten, ziet deze klacht op de vertegenwoordiging door verweerder van een VvE en een VvE-lid, die tevens wederpartij is in procedures tegen klaagster en daarin door verweerder wordt bijgestaan, afgezet tegen het belang van een niet door verweerder vertegenwoordigd ander VvE-lid.

Een advocaat moet op grond van artikel 10a, eerste lid, sub a van de Advocatenwet en gedragsregel 2 onafhankelijk zijn ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als advocaat optreedt. Daarnaast moet een advocaat partijdig zijn bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de cliënt (artikel 10a, eerste lid, sub b Advocatenwet).

Op grond van vaste rechtspraak van het hof van discipline moet een advocaat rekening houden met de belangen van andere betrokkenen, ook als deze niet zijn (voormalig) cliënt zijn (zie hof van discipline 31 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:16). De belangen van een VvE enerzijds en individuele leden anderzijds kunnen geheel parallel lopen, maar het uitgangspunt is dat die belangen potentieel strijdig en uiteenlopend kunnen zijn. Zodra zich een dergelijk (potentieel) strijdig belang voordoet, dient de advocaat te overwegen of hij zijn belangenbehartiging nog kan voortzetten en zal hij - behoudens situaties waarin een dergelijk strijdig belang aanstonds met wederzijdse instemming kan worden weggenomen - dienen terug te treden als advocaat van één en mogelijk meerdere door hem vertegenwoordigde partij(en).

Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder terecht erkend dat hij in de voorliggende situatie de belangen van de VvE niet had mogen (blijven) behartigen vanwege (potentieel) tegenstrijdig belang aan de kant van klaagster, een VvE-lid. Door voor de VvE te blijven optreden heeft verweerder naar het oordeel van de raad de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet geschonden. De klacht is dan ook gegrond.

De raad ziet ondanks de erkenning van verweerder tijdens de zitting geen aanleiding om een lagere maatregel op te leggen. Verweerder heeft naar eigen zeggen de dag voor de zitting het dossier bestudeerd en jurisprudentieonderzoek gedaan wat bij hem toen tot een nieuw inzicht heeft geleid. Dát onderzoek had verweerder naar het oordeel van de raad veel eerder kunnen én moeten doen, zeker nadat hij op zijn optreden voor de VvE werd aangesproken door de gemachtigde van klaagster alsmede VvE-lid. Tijdens de zitting heeft verweerder het foutieve van zijn handelen weliswaar erkend, maar wat de raad betreft is dit voor de maatregeloplegging als tardief te beschouwen. Verweerder heeft bovendien tijdens de zitting geen excuses aan klaagster aangeboden of een voorstel gedaan, zodat de raad niet het gevoel heeft gekregen dat verweerder wezenlijk inzicht in het foutieve van zijn handelen heeft gekregen.

De raad van discipline verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

ECLI:NL:TAHVD:2024:104: het hof geeft weer eens uitleg aan de belangenverstrengeling. Wanneer is daarvan sprake als een cliënt wordt meegenomen naar een ander kantoor waar de advocaat gaat werken

Klaagster verwijt verweerder dat hij tegenstrijdige belangen heeft behartigd door op te treden tegen klaagster, een voormalig cliënt van zijn kantoorgenoot.

In dit geval staat vast dat mr. S. reeds geruime tijd de “huisadvocaat” van I was en dat hij bij zijn overstap in 2021 naar het kantoor van verweerder I als cliënt heeft meegenomen. Daarnaast staat vast dat mr. S. op grond van aan hem toevertrouwde informatie een aandelentransactie heeft begeleid tussen B als koper en klaagster als verkoper en dat hij mede in opdracht van klaagster een distributieovereenkomst tussen klaagster en I heeft opgesteld. Dat klaagster destijds mogelijk ook een andere advocaat heeft opgedragen haar belangen mede te behartigen, maakt het voorgaande niet anders.

In de opdrachtbevestiging van 25 september 2017 heeft mr. S. aangegeven dat zijn (toenmalige) kantoor, L, in het geval van een conflict tussen partijen niet voor één van beide partijen zou kunnen optreden. Naar het oordeel van het hof heeft klaagster deze “condition 2” in de opdrachtbevestiging in die zin kunnen en mogen begrijpen dat dit ook zou gelden in het geval van een conflict tussen haar en I over de distributieovereenkomst. De aandelentransactie en de distributieovereenkomst waren immers onlosmakelijk met elkaar verbonden en waren benoemd in de brief van 25 september 2017 die aan alle betrokken partijen was gericht (klaagster, B en I). Tegen deze achtergrond heeft klaagster ook kunnen en mogen begrijpen dat met “condition 2” werd bedoeld dat mr. S., als de in deze zaak optredend advocaat van L, niet in een geschil betreffende de distributieovereenkomst zou optreden, ongeacht of hij nog werkzaam zou zijn bij het kantoor L. Mr. S heeft moeten begrijpen dat klaagster deze regeling zo mocht opvatten.

In deze specifieke omstandigheden, waarin mr. S. op grond van aan hem toevertrouwde informatie mede in opdracht van klaagster een distributieovereenkomst heeft opgesteld en er vervolgens in dezelfde zaak een geschil tussen de destijds betrokken partijen is ontstaan over deze distributieovereenkomst, is het hof van oordeel dat mr. S. zijn verplichting jegens klaagster om in deze zaak niet tegen of voor een van de betrokken partijen op te treden, heeft meegenomen naar zijn nieuwe kantoor, ongeacht of hij klaagster in zijn perceptie ook als cliënt heeft meegenomen naar het kantoor van verweerder. Het stond mr. S. niet vrij om in de onderhavige zaak, waarin de distributieovereenkomst centraal stond, tegen klaagster op te treden. In het verlengde daarvan brengt een redelijke uitleg van “condition 2” mee dat het ook kantoorgenoten van mr. S. niet vrijstond om in een geschil over de distributieovereenkomst voor een van de betrokken partijen op te treden. “Condition 2” beoogt immers een belangenconflict te voorkomen. Dat soort regelingen geldt, gelet op de strekking van de Gedragsregel die gaat over de belangenverstrengeling (regel 15), ook voor kantoorgenoten (het samenwerkingsverband waarvan de advocaat deel uitmaakt).

In het onderhavige geval heeft mr. S verweerder (naar zijn zeggen naast andere advocaten van andere kantoren) aanbevolen aan zijn cliënt I. I heeft zich vervolgens tot verweerder gewend met het verzoek hem bij te staan in het geschil over de interpretatie en uitvoering van de distributieovereenkomst. Volgens verweerder wist hij bij de aanname van de zaak wel dat mr. S. de vaste “huisadvocaat” van I was, maar was hij niet op de hoogte van de rol van mr. S. bij de transactie in 2017 en ook niet van de opdrachtbevestiging. Verweerder is naar zijn zeggen door mr. S. ook niet op de hoogte gesteld hiervan. Volgens verweerder kon mr. S. dat ook niet gezien zijn geheimhoudingsverplichting richting klaagster.

Het hof overweegt dat verweerder met de e-mail van klaagster van 8 december 2021 op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het feit dat de distributieovereenkomst mede in opdracht van klaagster door mr. S. was opgesteld. Dit staat immers letterlijk in de e-mail: “Zoals u ongetwijfeld weet en anders uw kantoorgenoot, die deze transactiestukken inclusief de onderhavige overeenkomst heeft opgesteld (mede in opdracht van mijn cliënte), is dit een omvangrijk dossier”. Daar toen nog geen bezwaren werden geuit tegen zijn optreden jegens klaagster namens I was er naar het oordeel van hof ook nog geen directe aanleiding voor verweerder om zich te beraden over eventuele belangenconflicten in de zaak.  Er was toen wel aanleiding voor nader onderzoek door verweerder. Niet is gebleken dat hij dat toen heeft gedaan.

Door de e-mail van 22 april 2022 kwam verweerder wel op de hoogte van de tuchtrechtelijke bezwaren van klaagster tegen zijn optreden voor I in de zaak tegen klaagster. Hij kreeg toen kennis van de inhoud van de opdrachtbevestiging van 25 september 2017 en werd door klaagster gewezen op de verplichtingen van mr. S. en zijn kantoor om niet op te treden in geval van een conflict over de distributieovereenkomst tussen de betrokken partijen.

Gelet op de verplichting die mr. S. op zich had genomen om niet op te treden tegen of voor een van de partijen in geval van een conflict over de aandelentransactie of de distributieovereenkomst had het op de weg van verweerder gelegen om zich op dat moment als kantoorgenoot van mr. S. uit de zaak terug te trekken. Hij had moeten begrijpen dat die verplichting over de belangenverstrengeling niet alleen voor mr. S. gold maar ook voor hem als zijn kantoorgenoot.

Het hof is van oordeel dat verweerder zich dan ook in ieder geval na 22 april 2022 zo spoedig als mogelijk als advocaat van I in de zaak tegen klaagster had behoren terug te trekken. Hij had vanaf dat moment iedere schijn van belangenverstrengeling moeten voorkomen. Dat verweerder ondanks de bezwaren van klaagster de belangen van I in de zaak tegen klaagster is blijven behartigen, valt hem tuchtrechtelijk aan te rekenen. De verwijzing naar de overwegingen 5.12 in de uitspraak van het hof van 13 december 2019 (ECLI:NL:TAHVD:2019:235, Zwitserse overstapper) en dat verweerder naar eigen zeggen heeft gehandeld in de geest van die uitspraak gaat niet op. Hoewel klaagster als cliënt van mr. S. niet is meegegaan naar het kantoor van verweerder en verweerder heeft gesteld afspraken te hebben gemaakt over het afschermen van mr. S. van informatie over de zaak gaat verweerder eraan voorbij dat hij als kantoorgenoot ook tuchtrechtelijk gebonden was aan de verplichting die mr. S. op zich had genomen om ingeval van een conflict tussen partijen geen van die partijen bij te staan. Gelet op deze overeengekomen verplichting gaat een beroep op de voormelde overwegingen in die uitspraak van hof niet op.

Het hof acht evenals de raad de maatregel van berisping op zijn plaats. Verweerder heeft nog aangevoerd dat opgelegde maatregel te zwaar is. Het hof kan verweerder daarin niet volgen. Vanaf 22 april 2022 was het voor verweerder immers duidelijk welke verplichtingen er waren overeengekomen in geval er een conflict was over de door mr. S. begeleide aandelentransactie en opgestelde distributieovereenkomst. Verweerder had zich toen als kantoorgenoot van mr. S. moeten terugtrekken in verband met een belangenconflict. Dat heeft hij niet gedaan, integendeel. Het hof acht dat laakbaar. Daaraan kan niet afdoen dat er overleg met de deken is geweest. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

ECLI:NL:TAHVD:2024:84: Advocaat overtreedt met voeten de kernwaarde integriteit

Verweerder wordt onder meer verweten: (a) de schoonfamilie van klager te mailen met het verzoek om informatie, waarbij verweerder de schoonfamilie zonder toestemming van klager mededeelde dat klager een suïcidepoging had ondernomen en de e-mail schreef alsof hij de advocaat was van klager, in plaats van de advocaat van de wederpartij; en (b) zich schokkend, beledigend en enorm kwetsend te gedragen en de ellende van klager te misbruiken in een e-mail.

Met betrekking tot klachtonderdeel (a) heeft de raad overwogen dat in het bijzonder gedragsregel 9 van belang is bij de beoordeling daarvan. Die gedragsregel bepaalt dat een advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor moet zorgen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. In de toelichting bij deze gedragsregel staat dat een advocaat naar buiten toe duidelijkheid moet verschaffen over de hoedanigheid waarin hij handelt en wordt (als voorbeeld) genoemd dat een advocaat die voor zijn cliënt een feitenonderzoek uitvoert, steeds aan betrokkenen duidelijk moeten maken of hij dat doet als advocaat van die cliënt of in een andere hoedanigheid.

De raad is van oordeel dat verweerder met het versturen van zijn e-mail niet de vereiste duidelijkheid over zijn hoedanigheid als advocaat van de wederpartij heeft gegeven. Hij heeft die e-mail immers afgesloten met ‘lawyer’ en nergens genoemd dat hij optrad als advocaat van de wederpartij van klager. Ook uit de inhoud van de e-mail, waarin hij klager bij zijn voornaam én roepnaam noemt en stelt dat ‘we are conducting legal proceedings where – known by you – [klager] has been involved with’, zal de ontvanger eerder de indruk hebben gekregen dat verweerder optrad als advocaat van klager en niet als advocaat van de wederpartij van klager. Dat die onjuiste indruk daadwerkelijk bij de ex-schoonfamilie is ontstaan, blijkt uit de e-mail van klager (aan zijn advocaat) waarin hij aangeeft dat zijn ex-schoonvader hem heeft laten weten dat hij was benaderd door klagers advocaat met het verzoek om informatie over klagers verblijf, huwelijk en gezondheid. De raad acht bij de beoordeling van dit klachtonderdeel verder van belang dat verweerder niet alleen informatie over klager heeft gevraagd, maar met die e-mail ook gevoelige en vertrouwelijke informatie over klager, waaronder zijn zelfmoordpoging, aan zijn ex-schoonfamilie heeft doorgegeven, waarvan zij kennelijk nog niet op de hoogte was.

Met betrekking tot klachtonderdeel (b) heeft de raad overwogen dat begrijpelijk is dat klager de reactie van verweerder op zijn brief aan verhuurster als kwetsend heeft ervaren. De raad acht deze reactie op het wanhoopsbericht van klager ongepast, niet respectvol en ongevoelig. De raad is echter van oordeel dat verweerder hiermee niet de grenzen van de hem toekomende (grote) vrijheid heeft overschreden. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat ook de e-mail van klager aan de cliënte van verweerder beledigend en kwetsend is en de reactie van verweerder is gericht aan de advocaat van klager en niet aan klager zelf.

De raad heeft klachtonderdeel (a) van de klacht van klager gegrond en klachtonderdeel (b) ongegrond verklaard.

Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad met betrekking tot klachtonderdeel (a). Voor wat betreft klachtonderdeel (b) vernietigt het hof de beslissing van de raad. Dit klachtonderdeel wordt alsnog gegrond verklaard.

Bij het bepalen van de maatregel is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een berisping. Verweerder is eerder tuchtrechtelijk veroordeeld, in 2015 en in 2021. Het hof kan niet anders dan constateren dat verweerder van de hem eerder opgelegde maatregelen niet heeft geleerd en dat hij zich kennelijk nog steeds niet realiseert dat niet alleen de kernwaarde partijdigheid hoog in het vaandel dient te staan, maar ook de kernwaarde integriteit. Verweerder heeft de kernwaarde integriteit in al deze gevallen met voeten getreden door zijn onnodig beschadigend optreden jegens wederpartijen. Het hof is van oordeel dat verweerder door dergelijk gedrag te blijven vertonen ernstig laakbaar heeft gehandeld, waardoor het vertrouwen in de advocatuur is beschadigd. Bovendien acht het hof de kans op herhaling van soortgelijk gedrag reëel. Om die redenen acht het hof de maatregel van vier weken voorwaardelijke schorsing aangewezen, als stok achter de deur voor verweerder om zijn gedrag jegens wederpartijen alsnog aan te passen.

ECLI:NL:TAHVD:2024:106: Ontvankelijkheidstermijn nogmaals door hof uitgelegd

Verweerder heeft in deze zaak van 2 mei 2017 tot 18 november 2017 werkzaamheden voor [B] uitgevoerd. Klaagsters verwijten verweerder (faillissements)fraude, doordat de door hem ten onrechte op naam van JBMG gestelde nota’s in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de op 22 november 2017 verleende voorlopige surseance van betaling van JBMG.

Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat klaagsters reeds op 24 november 2017 op de hoogte waren van op naam van JBMG gestelde nota’s van verweerder. Uit het op 24 november 2017 verzonden e-mailbericht (met klaagster 1 in de cc) van de toenmalige advocaat van klaagsters, mr. H.A. S., aan de bewindvoerder volgt dat klaagsters, althans klaagster 1, ervan op de hoogte waren (was) dat het surseanceverzoek mede was gebaseerd op advocaatkosten en dat de advocaatkosten van [A B] Advocaten (het kantoor van verweerder) mogelijk niet ten laste van JBMG mochten worden gebracht. Dit wordt ook bevestigd door de brief van mr. H.A. S. van 24 oktober 2023 die daarin aangeeft dat hij op 24 november 2017 in overleg met klaagster 1 de bewindvoerder heeft bericht dat de advocaatkosten met betrekking tot procedures tegen klaagster 1 en haar vennootschappen niet ten laste van JBMG kunnen worden gebracht.

Dat klaagsters, zoals zij stellen, eerst op 13 december 2017 zeker wisten over welke onderliggende facturen het ging en welke rol deze facturen bij de surseanceaanvraag hadden gespeeld, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat immers om naar objectieve maatstaven aanwezige kennis bij klaagsters van het handelen of nalaten van verweerder en niet om de subjectieve wetenschap. Naar objectieve maatstaven waren klaagsters in ieder geval vanaf 24 november 2017 op de hoogte van het gestelde handelen van verweerder waar de klacht betrekking op heeft (onterechte nota’s van hem aan JBMG).

Voor een ruimere interpretatie van de klachttermijn in artikel 46g, eerste lid, van de Advocatenwet, zoals bepleit door klaagsters, is in dit geval geen plaats. De ratio van de klachttermijn is gelegen in bescherming van de rechtszekerheid voor de advocaat. Het beginsel van rechtszekerheid laat geen ruimte voor een soepeler hantering van de termijnen voor het indienen van een klacht. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de klachttermijn verschoonbaar zijn (vgl. HvD 8 mei 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:78). Het feit dat klaagster 1 heeft geleden aan een PTSS-syndroom, waardoor het lang heeft geduurd voordat de klacht door klaagsters werd ingediend, is onvoldoende reden om hier (zeer) bijzondere omstandigheden aan te nemen. Dit geldt temeer nu niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat klaagster 1 gedurende de termijn van drie jaar na kennisneming van het verweten handelen van verweerder door haar PTSS-syndroom niet in staat was de belangen van klaagsters te behartigen, en klaagsters zich gedurende de gehele periode ook hebben laten bijstaan door een advocaat.

Het voorgaande brengt mee dat, nu de kennis van het handelen of nalaten van verweerder op 24 november 2017 reeds bij klaagsters aanwezig was, de klacht op 30 november 2020 te laat (buiten de driejaarstermijn) is ingediend. De beslissing van de raad moet worden vernietigd en de klacht van klaagsters dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de klachten komt het hof dan ook niet toe.

ECLI:NL:TAHVD:2024:102: Belangrijke uitspraak voor curatoren: het hof beslist dat aan een curator ook het klachtrecht toekomt en geeft ook aanwijzing voor de verjaring. De curator moet een klacht echter wel onderbouwen en klagen over bankieren met de derdenrekening is klagen in het algemeen belang en komt aan de deken toe en niet aan de curator

In deze zaak wordt verweerder verweten dat hij de kernwaarde (financiële) integriteit heeft geschonden door oneigenlijk gebruik te maken van de derdengeldenrekening van zijn kantoor.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat de klacht tijdig is ingediend. Uitgangspunt is dat een curator uit de aard van de zaak eerst optreedt vanaf datum faillissement, omdat dat het moment is dat een curator kennis kan nemen van het handelen van de beklaagde advocaat. Z BV is op 9 oktober 2019 in staat van faillissement verklaard. Klager heeft zijn klacht over het handelen van verweerder op 13 juni 2022 ingediend, en daarmee tijdig binnen de driejaarstermijn van artikel 46g van de Advocatenwet.

Voor de vraag of een curator in het kader van de belangenbehartiging van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement ontvankelijk is en een klachtrecht in de zin van de Advocatenwet toekomt, is voldoende dat de curator aannemelijk maakt dat het beklaagde handelen van een advocaat rechtstreeks de (vermogensrechtelijke) belangen van de gezamenlijke schuldeisers raakt of kan raken. Het gaat hier om benadeling van de verhaalsmogelijkheden van de gezamenlijke schuldeisers in brede zin, waaronder ook valt de belemmering van de curator bij het onderzoeken van die verhaalsmogelijkheden en bij de uitoefening van de hem daartoe toegekende wettelijke middelen. Voor ontvankelijkheid is dus niet vereist dat de curator reeds concrete financiële nadelige gevolgen voor de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van het beklaagde handelen aannemelijk kan maken (vgl. HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:84).

Het hof is met de raad van oordeel dat, gelet op zijn professionele hoedanigheid, van een curator die een klachtprocedure entameert tegen de advocaat van de gefailleerde (in wiens faillissement hij als curator optreedt) waarbij de klachten het handelen van de advocaat betreffen dat heeft plaatsgevonden vóór datum faillissement, verwacht mag worden dat hij alvorens klachten in te dienen zich ervan vergewist dat er gegronde redenen zijn om daartoe over te gaan. Zo nodig dient de curator daarbij deugdelijk onderzoek te doen naar het handelen van de advocaat waarop hij zijn klachten wil baseren. De aangeklaagde advocaat moet immers weten waartegen hij zich heeft te verweren.

Op grond van het voorgaande is het aan klager om voldoende te onderbouwen waarom de beklaagde gedragingen van verweerder van ruim vóór het faillissement van Z BV op 9 oktober 2019 rechtstreeks de vermogensrechtelijke belangen van de schuldeisers geraakt hebben of hebben kunnen raken. Naar het oordeel van het hof heeft klager hieraan, gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet voldaan. Het aan verweerder verweten handelen speelt zich af in 2017 en daarmee ruim 1,5 jaar vóór het faillissement van Z BV. Klager heeft op de zitting bij hof aangevoerd dat Z BV al sinds 2016 in een slechte financiële positie verkeerde en dat het onttrekken van liquide middelen de schuldeisers rechtstreeks heeft geraakt. Klager heeft zijn standpunt echter niet nader met stukken onderbouwd.

Klager heeft ook bij het hof onvoldoende onderbouwd dat het beklaagde handelen van verweerder rechtstreeks de (vermogensrechtelijke) belangen van de gezamenlijke schuldeisers heeft geraakt of heeft kunnen raken. Dit brengt mee dat klager niet in zijn klachten kan worden ontvangen. Daarbij onderschrijft het hof de overwegingen van de raad dat de vraag of verweerder heeft “gebankierd” met gelden een vraag van algemeen belang is waarover alleen de deken kan klagen. Bij deze vraag heeft de curator in dit geval geen eigen belang.

Het hof van discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.

ECLI:NL:TADRSGR:2024:65: Verzet gegrond: verjaringstermijn voor het indienen van een klacht begint te lopen vanaf het moment dat klager bekend is met in dit geval een specifieke brief, maar ook omdat klager er bekend mee kon zijn dat de aangeklaagde advocaat hierbij betrokken was

In deze zaak is op 3 april 2019 door medewerkers van het Huis voor klokkenluiders, onder wie verweerster, een brief gestuurd aan de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. Klager verwijt verweerster dat zij, door het versturen van de zes brieven aan onder meer de commissie-Biesheuvel, de secretaris-generaal van het ministerie, de Tweede Kamer, de Nationale ombudsman, de media en het bestuur en de directeur van het Huis voor klokkenluiders, tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt.

Bij beslissing van 27 september 2023 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht voor zover die ziet op de brief van 3 april 2019, met toepassing van artikel 46g, eerste lid, onder a, van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 oktober 2023 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

De voorzitter heeft in haar beslissing overwogen dat klager op 4 april 2019 bekend is geraakt met de bewuste brief. Dat is weliswaar juist, maar - zoals klager in zijn verzet terecht aanvoert - toepassing van de juiste maatstaf betekent dat van belang is op welk moment klager bekend werd met de betrokkenheid van verweerster bij de brief van 3 april 2019. Uit de voorzittersbeslissing blijkt niet dat de voorzitter deze maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling. Het verzet is op dat punt dan ook gegrond en de raad zal opnieuw beoordelen of de klacht over het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster met betrekking tot deze specifieke brief ontvankelijk is.

Vast staat dat de naam van verweerster niet onder de brief van 3 april 2019 staat. De klacht is op 28 april 2022 ingediend. Uit het verhandelde ter zitting is de raad gebleken dat klager in ieder geval niet vóór 28 april 2019 op de hoogte was van de betrokkenheid van verweerster bij deze brief. Klager heeft dus binnen de in de Advocatenwet gestelde termijn van drie jaar de klacht ingediend. De voorzitter heeft daarmee klager ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de tegen de brief van 3 april 2019 gerichte klacht. Klager is ontvankelijk.

ECLI:NL:TAHVD:2024:100: Het wel of niet indienen van een verzoek tot schorsing behoort tot de discretionaire bevoegdheid van een deken. Het indienen van een tuchtklacht tegen een deken is niet het middel om het wel of niet indienen van een verzoek tot schorsing tuchtrechtelijk te laten toetsen

Klaagster verzoekt de voorzitter van het hof om haar klacht te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling, omdat verweerster de deken van de Orde van Advocaten is in het arrondissement waar zij zelf advocaat is.

Op grond van het bepaalde in artikel 46c, vijfde lid, van de Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

Uit het bericht van klaagster blijkt dat zij ontevreden is over het optreden van verweerster in de klachtzaak tegen een andere advocaat. Een klacht tegen verweerster is echter geen middel om de handelwijze en de visie van de deken in een klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen.

Een klager kan een klacht tegen de andere advocaat, na afronding van het onderzoek van de deken en na betaling van het griffierecht, immers voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan een klager naar voren brengen op welke punten de visie van de deken volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen. Het is vervolgens de tuchtrechter die de klacht beoordeelt en, bij gegrondheid ervan, beslist of een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.

De voorzitter begrijpt uit het bericht van klaagster verder dat het haar wens is dat verweerster een procedure instelt tot het spoedshalve schorsen van de beklaagde advocaat. Het al dan niet starten van zo’n procedure behoort echter tot de discretionaire bevoegdheden van een deken. Een tuchtklacht kan niet worden gebruikt als middel om een in dit verband genomen beslissing ter discussie te stellen.

De voorzitter van het hof van discipline wijst het verzoek tot verwijzing af.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

2. Eigen advocaat

3. Advocaat wederpartij

5. Advocaat en derden

6. Optreden advocaat in andere hoedanigheid

10. Procesrecht